GENEALOGIE VAN HET GESLACHT VAN OERS Sluiten       
Vorige       
MOONEN Adriana   /   BRAAK Jenne van den ( A3.2.9 ) A4.6

HERMANUS VAN OERS (80)
o 11.02.1767 Esch
b Schoenmaker   *2
+ 22.02.1847 Esch

zv Michael en Eijke van Hees
ADRIANA MOONEN (28)
o 30.09.1769 Esch
x 13.06.1790 Esch voor de Schepenen   *1
+ 11.08.1798 Esch

JENNE MARIA VAN DEN BRAAK (68)
o 05.12.1751 Esch
x 08.06.1800 Esch   geen kinderen
+ 13.02.1820 Esch


1. MICHAEL ( - )
      o 11.04.1791 Esch
      + 07.06.1791 Esch
2. MARIA ELISABETH (60)
      o 18.11.1792 Esch
      x 07.07.1827 's Hertogenbosch
      + 03.04.1853 Rotterdam
LAURENTIUS VAN EXTEL (75)
o 12.11.1802 Meegen
b Smid
+ 12.01.1878 Haaren
3. MICHAEL
      o 27.04.1794 Esch
volgt A5.4
4. ADILIA ( DILIANA ) (33)
      o 08.03.1796 Esch
      x 19.06.1825 Esch
      + 13.03.1829 s'Hertogenbosch
FRANCISCUS DE HAAS (40)
o 13.01.1792 s'Hertogenbosch
b Bakker
+ 07.11.1832 s'Hertogenbosch
5. IDA ( - )
      o 09.01.1798 Esch
      + 19.05.1798 Esch


*1   Het huwelijk van Hermanus met Adriana Moonen eindigde op een bijzonder droevige wijze.
Na de geboorte van hun laatste kind Ida in 1798, die vier maanden later overleed, kwam Adriana na vier maanden ook te overlijden.   Hermanus bleef achter met drie kinderen van 6, 4 en 2 jaar oud.   Daarom hertrouwde hij binnen twee jaar met Jenne die geen kinderen had en ook niet zou krijgen.

*2   Evenals zijn broer Wilhelmus ( A4.5 ) koos Hermanus niet voor het landbouwersberoep maar werd handwerkman, waarbij hij koos voor het vak van schoenmaker.   Niet dat dat nu bepaald een vetpot was, maar hij kon, nadat hij eerst het vak had geleerd als leerlingknecht bij een schoenmaker, voor zichzelf beginnen.
De investering voor het gereedschap was betrekkelijk laag en kon men thuis in de woonkamer direct aanvangen. De kunst was echter om aan werk te komen. De schoenfabrieken zoals die later zouden ontstaan en waarbij men als werknemer arbeidzaam kon zijn zonder verder risico te lopen, hetwelk de ' thuiswerker ' wel had, bestond ten tijde van Hermanus nog niet. Hij moest constant werk zien te krijgen anders vondt men de ' hond in de pot ' en moest hij met zijn gezin in bittere armoede leven.

De dorpskern van Esch rond 1875


Een verhaal welke speelde in dezelfde tijd, geeft een juist beeld van de angst en de vertwijfeling die soms bij de kleine neringdoende leefde van wat heden de " goeje ouwe tijd " wordt genoemd.

EEN BOOSWICHT VAN EEN SCHOENMAKER
Oordeel niet voor het tijd is . . . Dus weet of wacht

In de half verlichte "woonruimte" schuifelde Sjef "de Dreun", zo als zijn scheldnaam was, op zijn kousen-voeten rond. Stil en rustig waren al zijn bewegingen. De drie havelooze matten stoelen, waarvan sommige in het midden van de zitting groote gaten vertoonden, zette hij naast elkaar tegen de wand. Eenig kindergoed, dat ordeloos in een hoek was neer geworpen, nam hij op, vouwde het langzaam tot een pakje en legde dit op een der stoelen. Het kleine lichtje, in het roodglazen kelkje voor het Mariabeeldje, dreigde uit te gaan : hij nam een klein, voor de helft met patentolie gevuld apothekersfleschje van den schoorsteen en schonk een weinig van den inhoud, voorzichtig, zonder het vlammetje te raken, in het glas.
Dan keek hij een oogenblik oplettend toe ; het kleine kwijnende licht, niet veel meer dan een gloeien bolletje, gloorde knetterend aan tot een klein geel tongetje van vuur. Daarna liet hij, als een zorgzame huismoeder, zijn oog over de overige, schamele voorwerpen in de kamer gaan.
Van de gore , wit houten tafel veegde hij met de rug van zijn hand de broodkruimels af op de zanderigen, met gescheurde en vaneen wijkende tegels belegden vloer, streek daarna met zijn voet de op den grond verspreide leersnippers onder den werkstoel en draaide de pit van de petroleumlamp lager.
Daarna liep hij naar de bedstede in de achterwand en schoof de grauwgroene gordijntjes, die de kleine slaap-plaats onzichtbaar maakten, opzij en gluurde voorzichtig in de duistere ruimte, waaruit een sterke chloroform lucht hem tegen zwoelde.
Niets verroerde zich, alleen de rustige ademhaling van zijn slapende vrouw was te horen.
In den vroegen ochtend was zij opnieuw moeder geworden. Een trek van blijdschap kwam op zijn gelaat, en voorzichtig sloot hij de gordijntjes weer. Nu sliep ze . . . . . . gelukkig!
Hij stond een oogenblik in het midden van de kamer, als in gedachten verdiept, en beleefde nog eens dien angst van den nacht. God, wat had het gespannen.
Reeds voor de zesde maal openbaarde zich het nieuwe leven in zijn echt, 4 jongens en twee meiskes waren hem nu reeds geschonken. "Een grote zege" had de pastoor gezegd, maar een zegen, die, vannacht vooral, zwaar en moeilijk bekomen was. Angst, groote, den adem bijna afsnoerend angst, had zich dien ochtend van hem meester gemaakt. De dood loerde en gluurde, o, hij nam het zo duidelijk waar, om den hoek van zijn deur.
Toen de "juffrouw" hem in den nacht zoo gejaagd beval, den dokter te gaan halen, omdat er volgens haar gevaar dreigde, toen was het hem eerst duidelijk geworden, dat er te vreezen viel.
Als in een duizel was hij over den weg gegaan, het huis van den dokter liep hij een groot eind voorbij, zoeken moest hij, zoeken, naar wat hij van zijn jeugd af wist. Hij was als een vreemde in zijn eigen geboorteplaats. De dokter was spoedig gekomen; spannende uren waren aangebroken. Uren waarin hij zwijgen moest; want vragen durfde hij niet. Maar gezien had hij, hoe dokter en juffrouw blikken van verstandhouding wisselden. Trekken van schrik en ontzetting op dat mensch haar aangezicht, werden voor hem in leesbaar schrift, na iedere zacht gewisseld woord met den dokter, slechte berichten. In de vroegte had hij de kinderen naar de buren gebracht, daar had hij geen zorg meer over.
Een oude vrouw, die wel meer in soortgelijke gevallen geholpen had, kwam ook nu te hulp.
Goede bakerdiensten bewees zij in den morgen. Het ergste was nu achter den rug. In den middag kon hij haar taak overnemen. Van werken kwam niet veel. Toen de kinderen uit school kwamen moest hij boterhammen maken. Binnenkomen mochten de luidruchtige bengels niet.
De vrouw lag zoo rustig, de ijlkoorts waarin zij enkele uren gevangen was geweest, scheen nu voorbij.
Het kindje lag rustig naast haar in een zwarte wollen doek, onzichtbaar verscholen. Al vroeg in den avond joeg hij de kinders naar den zolder, naar bed. Wonderlijk stil was dit in zijn werk gegaan, met de belofte, morgen het nieuwe broertje te mogen zien, als zij heel stil waren voor hun zieke moeder.
Nu was hij er zeker van, dat zij weer spoedig op de been zou zijn; ze sliep zoo rustig.
Nog eenmaal schoof hij de bedstee-gordijnen behoedzaam op zij. Niets dan een geregelde ademhaling klonk zacht uit de groezelige donkerheid. Nu kon hij best even naar buiten gaan; even vrij ademhalen.
Het was hem zoo eng in die schemerverlichte kamer, waar een lucht van carbol en au de cologne ongewoon zijn niet verwende reukorganen prikkelden.
Hij trad naar buiten, deed de slecht sluitende deur voorzichtig op de klink en snoof met zichtbaar welgevallen de van lindebloesem zwangere avondlucht op. Als eenzame wandelaar in de avond schreed hij voort. Achter hem stak de oude grijze kerktoren ver zichtbaar boven de boomgroepen van het dorp uit. Onbewuste scheppingsvreugde vervulde hem. De donkerheid van zijn armelijk huis, zijn moeitevolle leven, en de angst van gisteren, zij weken terug. Sjef liep, als in gedachten verzonken, met groote regelmatige stappen door de velden met rogge en boekweit en snoof de akkergeuren als een vroolijkheid verwekkend aroma op.
Hier kwam zijn armelijk leven in een glanzend licht testaan. Het genieten van Godsschepping is aan geen rijkdom cijns schuldig.
Maar als even de gedachten naar huis terug gaan en even verwijlden bij de zekerheid, dat het kindertal; toch maar weer met een uitgebreid en de zorg van levensonderhoud toegenomen was, dan was het of hij , onver-wacht door een vlijmscherpen doorn gestoken werd. Maar de pastoor had toch ook zeer terecht gezegd dat waar er vijf aten, er toch ook zes konden eten, en de goede God, die alles zo mooi gemaakt had, liet geen mens van den honger sterven. Straks was de oudste tien jaar; gelukkig een jongen, groot flink en sterk voor zijn leeftijd. Die ging al mee verdienen en als ze allemaal groot waren, was immers het leed geleden.
Een rilling liep even over zijn rug, bij de gedachte aan zijn dochtertje, die een maand na haar geboorte was overleden, bah, wat was dat beroerd geweest maar gelukkig was het niet bij de jongens gebeurd, die waren allemaal blijven leven . . . . . . en pastoor had toch ook gezegd, bij de doop van zijn kindje vlak voor haar dood, dat " zij nu in de hemel was ".
Dat vervulde hem met een groote innerlijke warmte, maar de voordurend angst en zorg voor het schamele bestaan bleef. s' Zondags in het kleine kerkje, waar hij en zijn dorpsgenoten nauwelijk in konden , sprak de pastoor mooi en was dit voor een ieder een troost, omdat zij niet meer in hun eigen kerk mochten bidden. Die dominee had hun groote prachtige eigen kerk afgenomen en hield er met een paar afvallige dorpsgenoten een hele kale dienst. Dat had hij wel eens stiekum gezien. Zijn vrouw was niet meer zo sterk als vroeger. Hij had het eigenlijk al reeds lang geweten.
De laatste maanden klaagde zij bijna iedere dag over onduldbare pijnen, maar hij had dat toegeschreven aan de toestand waarin zij verkeerde. Geheel in strijd met haar werkzame aard, had hij haar uren op den stoel zien zitten, zoo moe en afgemat, of zij nooit meer op zou staan.
Versterkende middelen, had de dokter bevolen, krachtig voedsel moest ze hebben. Maar die dokter had gemakkelijk praten. Met bijna dag en nacht werken kon hij zeven gulden in de week halen, ternauwernood voldoende om de wekelijkse schuld in den winkel van den baas, die "de Slokker" werd genoemd in her dorp, af te doen.
Maar de vrouw kon het zware brood op het laatst niet meer verdragen, zij at bijna niet en zij verzwakte zienderoogen. Daarom was zij nu bijna in het moederbed gebleven.
Wat een geluk dat hij het maar gewaagd had om stiekem voor " den Bok " wat pantoffels te maken.
De vrouw had het niet eens gemerkt, hoe hij 's morgens voor dag en dauw de bedstee uit ging.
Als een misdadiger verborg hij op den dag het " tuig "achter den werkstoel en in den nacht had hij de zes paren afgewerkte pantoffels bij " den Bok " in het achterhuis neergehangen. Weggeslopen was hij toen als een dief in de nacht met een kloppend hart.Eenige dagen daarna had " den Bok " hem het verdiende geld gebracht. Zes maal zeven en twintig en een halve cent, alles bij elkaar.
In een papiertje gepakt, droeg hij het bij zich. Al twee malen kocht hij er twaalf eieren van en hoe zijn vrouw ook vroeg en giste naar de herkomst, hij zweeg er over als het graf.
Niemand mocht het weten. Wat was hij geschrokken, toen een van de kinderen hem gevraagd had, wijzend op de ongewone pantoffels die hij in de vroegte aan het maken was: "Voor wie zijn die mooie pantoffels" Hij had niet gelet op de kinderen die, lang voor dat moeder opstond, aan de werkstoel speelden. Vloekend had hij den jongen van den werkstoel weggejaagd. Verschrikt borg hij de " giechelaars " weg. ( beunhaasje ). Hoe kwam die jongen aan die vraag? Geen raad had hij geweten als het uitgekomen was. Hij wist maar al te goed wat de gevolgen zouden zijn. Er was maar weinig voor noodig om zonder werk te komen. Het was toch al zo slecht in de schoenmakerij. Het was op z'n best half Juli en nu werd er al voor den zolder gewerkt; wie had het ooit gehoord. Als de baas er achter kwam dat hij voor "den Bok" gewerkt had zou hij hem zeker ontslaan. Angst voor ontslag had hem immers van het chiegelaars maken terug gehouden, al wist hij het maar al te goed , dat velen het deden. Hij durfde het niet. Nadat hij eens - het was alweer drie jaar geleden - bijna een geheelen winter zonder vast werk was geweest, wist hij maar al te goed, wat het beteekende, geen brood in huis te hebben. Voor zich zelf was dat zo erg nog niet . maar voor de kinders. Als deze vragen om brood en je hebt het niet . . . . . . . . ." God nog eens toe, wat een pijn is dat ". Maar nu de vrouw zo ziek en zwak was, had hij het uiteindelijk toch maar gedaan. Hij had nu dan toch maar nog een gulden en wat kon hij daar veel mee doen. Nog vier malen kon hij er tien eieren voor koopen en als de vrouw er twee per dag gebruikte, kon zij dit twintig dagen volhouden, reekende hij uit. Dan zou zij wel weer sterk zijn. Nu behoefde zij niet als alle voorafgaande keeren, de roomlooze koffie als kraamvrouwen versterking te drinken.
Aan de bazin zou hij melk vragen, die zou zij wel geven en voor eieren kon hij zelf zorgen.
Het kraambed duurde deze keer al heel lang. Drie weken lang moest Sjef vader en moeder te gelijk zijn. De kinderen verwilderden zichtbaar Met aardezwarte handen en vies besmeurde gezichten zaten de kleinen in het zwarte zand van de weg te spelen. De grooteren gingen naar school en hielpen na den lestijd zooveel als mogelijk was. In de derde week probeerde moeder weer op te komen en zo goed en kwaad als het ging, haar werk te doen.
Bij tusschenpoozen rustend, probeerde zij weer wat paren pantoffels te boorden voor een kleinen fabrikant uit de buurt. Twee centen per paar kreeg zij er voor betaald. Maar hoe noode zij die verdienste ook missen kon, zij moest het opgeven.
Na een enkel paar begon zij over haar hele lichaam te beven en brak het zweet haar van alle kanten uit. Zij wilde zo graag, maar zij kon het niet. Met groote , stille droefheid zag Sjef het aan.
Gaarne zou hij nog wat langer gewerkt hebben, nog een paar schoenen meer gemaakt hebben, als hij er maar wat geld voor in de handen had kunnen krijgen. Maar langer werken hielp niet, geld ontving hij nooit bij "de Slokker"; enkel winkel waren. Alles, alles moest bij den baas worden gekocht; wat deze niet in voorraad had, werd geleverd door zijn tusschenkomst, door een ander.
Overal verdiende de baas aan en met alles was hij even duur; je kwam nooit uit de schuld.
" Den Bok " was er weer geweest om hem te vragen en paar of twaalf pantoffels in nacht en ontij te maken, maar hij durfde het niet aan; neen, hij durfde niet. De verleiding was echter wel groot, hij kon het geld zoo goed gebruiken en . . . . . "den Bok" betaalde goed. Het was wel een onaangenaam sluw mensch, Sjef verschrok als hij hem komen zag. Hij kon den brutalen kerel bijna geen weerstand bieden, maar betalen deed hij goed. De vrouw was bang voor den vent, bang , omdat door dien kerel er al zoovelen spul met hun bazen gekregen hadden en wanneer ze in nood zaten, was "den Bok" niet te spreken. Daarom sloeg Sjef, hoe noode ook, elk aanbod van "den Bok" af, al kostte het hem nog zoo'n kracht. Want kracht kostte het hem, grooter kracht naar mate hij meer den moed miste naar de ellende van de vrouw te zien. Om de twee dagen nam hij een brood te veel bij den bakker, gemerkt was het nog niet.
Sjef Schoenmakers, waar was de tijd gebleven, waarin hij Sjef "den Dreun" werd genoemd. Hij voelde dit niet als een scheldnaam, omdat hij, als jongeling reeds, bij ieder pretje waarbij een glaasje te veel gedronken werd, plotseling heftig boos kon worden en als buskruit opstoof bij de geringste aanleiding, en iemand zoomaar een "Dreun" verkocht. Ja de drank kon hem gek maken, maar na zijn trouwen had hij geen druppel "Dreunwater" meer gedronken. De groote behoefte van zijn gezin en zijn langdurige arbeid voor een karig inkomen, veroorloofde hem die weelde niet.. . . . . . . . . . . .
Langzaam en traag vervolgde Sjef zijn weg. . . . . . .
Bij den baas moest hij komen; zelf het werk komen halen. Andere keren gingen de kinderen, en dat was wel zo gemakkelijk en kostte hem weinig tijd.
Maar zoo even kwam de oudste zonder "tuig" naar huis met de boodschap: " Vader mot zelf komen".Daarom was hij maar meteen opgestaan van den werkstoel, het maalde anders te lang in zijn kop. Zou de baas wat weten, zouden de kinderen gepraat hebben over de pantoffels? Ja, die kinderen kletsten op school en op het kerkplein, zij konden hun monden niet houden.
Hij streek met zijn door zwartsel en pek besmeurde hand over zijn voorhoofd en voelde een vage en onbestemde angst voor een naderend onheil op zich afkomen . Zijn krom gewerkte handen streken uit gewoonte langs het glimmend zwarte schootsvel, dat op de borst, door een groot gat een gedeelte van het met inkerven gehavende vest zichtbaar maakte, de laatste leervezels weg.
Het dunne lederen riempje, waaraan het schootsvel bengelde, striemde hem in de laag behaarden nek. Zijn afgesleten klompen, waarvan er een met een stuk leer bijeen gehouden werd, hadden de kleur van het hout geheel verloren. Langzaam schuurden de klompen den weg, bitterheid verdrong voor een wijle de angst. Omdat hij met vastenavond een paar guldens ontving van den baas, was hij met lijf en goed voor een paar jaar verkocht. Niet een cent krijg je in handen, alles werd verrekend in den winkel, altijd te kort; altijd, en als het een enkele keer voorkwam, dat er een paar centen meer verdiend waren, dan er aan boodschappen door de vrouw waren gehaald, dan kreeg je het nog niet.
Dan kreeg je: hier Sjef, een pakske koffie en een builtje koekskes, nu is het gepast. . . . . . Maar hij zou toch niet graag wat gemopperd hebben.. Jongen, jongen het werk lag niet opgeschept en wat zou er van hem en zijn gezin te recht moeten komen als hij niet te werken had.
. . . . . . . . en wat was het nu heelemaal wat hij gemaakt had? Zes paar vrouwen-pantoffels voor zeven-en-twintig-en-een-halve-cent per paar. Het was mooi betaald twee-en-een-halve-cent boven het gewone loon. Zes maal een kwartje en dan nog zes maal een halve stuiver, een gulden en vijf-en-zestig baar geld, klinkende munt in twee nachten verdiend, het was toch mooi geld . . . .maar als de baas het wist was hij ongelukkig.

Hij zou liegen, liegen zou hij, er was niets te bewijzen, en zondag zou hij het biechten aan de pastoor dat hij gelogen had en dan was hij van alles af. Dit voornemen versterkte hem, zijn gezicht hernam den onverschillige trek, en als van geen kwaad bewust stapte hij op de winkel van de baas af.

Hij liep de voordeur voorbij , het huis om , het achter erf op en via de donkere keuken de werkwinkel binnen. Die werkwinkel was zowel werkplaats als huis-, eet- en slaapkamer.
Op de groote, ruw-houten tafel, tegen de achterwand van het vertrek, in de onmiddellijke nabijheid van de eenige deur die toegang verschafte tot het groote vertrek, stonden nog de resten van het eten.
Een groote homp roggebrood, een stuk spek, een vormlooze klomp boter op een diep bord, enkele bontbebloemde kommen, gedeeltelijk met koffiedrab gevuld, stonden te midden van een zaaiing van broodkruimels. Een groote geemailleerde koffiepot, waarvan het deksel op den grond lag, voltooide een epicurische wanorde. Begeerig keek Sjef naar dien overdaad. Hij raapte het deksel op en legde hem op den pot. De mouwrafel van zijn jak beroerde de boter. Boter! hij wist niet meer hoe het smaakte.De kinderen hielden hem het brood wel droog.
Bij het eenige raam in het vertrek stond de baas met de rug naar het licht. Goeie avond zei Sjef, de baas gaf geen geluid. "Je hebt geen tuig meegegeven, de kinders zeiden, dat ik zelf komen moest!
Sjef deed zo onverschillig mogelijk, maar zijn stem verried onzekerheid.
" Ja, dat is zoo; maar je had wel weg kunnen blijven ook, je moet "den Bok" maar om werk vragen, jij hebt er van de week ook al weer schoenen voor gemaakt. Maak ze van den winter ook maar voor hem" Je moet maar met de vrouw afrekenen, ik laat me niet voor de gek houden", zei de baas.
" Wie zegt dat ik voor "den Bok" schoenen heb gemaakt? Ze liegen het allemaal, je moet me werk meegeven, ik kan toch niet verrekken van den honger".
" Dan moet je naar "den Bok" gaan, man, van mij krijg je geen werk meer,dat is uit." "Dacht jij, dat je zoo van mij afkwam", riep Sjef en liep met gebalde vuisten op "de Slokker" af. Deze gaf Sjef een harde duw en riep, " en nou oprotten!" Het was of alle krachten uit Sjef weg vloeiden en in vertwijfeling riep hij: " Nou, stik dan maar ", en liep met al zijn ellende de werkwinkel uit en botste tegen de vrouw op die mee had staan luisteren. " Stuur je jongen maar, met jou kan ik niet afrekenen". Zij zou wel eens met de baas praten: het zou zoo'n vaart niet lopen. Sjef liep de weg op, en overal zaten, omdat het inmiddels avond was geworden, de geburen voor de huisjes. Het was warm geweest die dag en voordat ze gingen slapen wilden ze nog wat van de koele avond genieten - en ook niets misschen van alles wat er zooal in het dorp plaatsvond.
Sjef voelde dat aller oogen op hem gericht waren en liep het dorp uit. Even buiten de kom van het dorp, zaten voor de herberg van "den Kreupele" - een manke kastelijn, die aan zijn lichaamsgebrek zijn scheldnaam te danken had - eenige mannen in een druk gesprek. Sjef herkende ze al op een afstand. Echte "pruvers" waren het: "de Pruim", "den Bok" en "de Beul", echte typen, die onder hun scheldnaam wijd en zijd bekend waren. Met een korte groet wilde Sjef het drietal voorbijgaan, maar dan riep "den Bok" hem toe: " He, Sjeffie, zoud ge niet een spreeuwtje vatten, je hebt toch geen haast m'n jongen". Sjef maakte een afwerend gebaar, maar de herinnering aan vroeger en zijn ellende van nu deed hem de uitnodiging aannemen. " Geef mij maar een klare", zei hij stroef. " Wat scheelt er aan vroeg "de Pruim", je oogen staan zoowat scheef in je kop". Den kastelein bracht de gevraagde borrel Zonder het glas neer te zetten maakte Sjef het in een teug leeg en gaf het den kastelein ter Het scherpe, branderige vocht hield hij een oogenblik, met bolgezette wangen in den mond en slikte het dan eerst door, smakte een paar maal, alsof hij de smaak vast wilde houden en zei toen langzaam naar "den Bok" overbuigend: " Hij weet dat ik giechelaars voor jou heb gemaakt" In echte verwondering vroeg "den Bok": Wie?". "Den Slokker", hij heeft me weggejaagd; ik krijg geen werk meer van hem ". Dof keek Sjef voor zich uit, zijn lippen smakten in langzaam bewegen den drank na.
"Wie heeft dat gezegd, hij liegt het " zei "den Bok", moet je nog een borrel?" De glazen werden opnieuw gevuld, "den Bok" was royaal vanavond. Bij de vierde borrel werd Sjef weer kwaad , en begon op "den Slokker" af te geven. Het drietal had schik in zijn woede en begonnen hem op te hitsen. "Den Dreun" moest nog maar eens goed gaan rammen, net als vroeger. Lang hoefden zij niet te wachten, plotseling kwam het weer over Sjef, zooals dat vroeger zoo vaak gekomen was.
Zijn vuisten beukten den tafel, vechten moest hij, hij zou "den Slokker" in mekaar gaan dreunen of dood steken. Zijn razen en tieren deed de menschen nader komen en probeerden Sjef tot rede te brengen, maar ieder bezadigd woord was als olie op het vuur. De inmiddels toegeschoten veldwachter kon ook een dreun van Sjef krijgen, of werd aan zijn mes geregen. Luisteren wilde hij niet; al razend moest hij met vereende krachten naar het gemeentehok worden gebracht, daar kon hij uittieren tegen "den Slokker"
Dien nacht kwam Sjef niet thuis. . . . . .

 

De menschen bespraken breed en lang het schandelijke gedrag van Sjef en zij herhaalden hoofdschuddend:
" ZON BOOSWICHT TOCH "

top      

www.geslacht-vanoers.nl