GENEALOGIE VAN HET GESLACHT VAN OERS Sluiten       
Bijlage 01   -   Meijerij van 's-Hertogenbosch

1.   Ligging
2.   Geschienenis
3.   De Hertog en zijn Bestuur
4.   Gemeynten en Territoriumdrift
5.   Stad en Land
6.   Opstand en Retorsie
7.   Hoogmogende Haagse Heeren
8.   Geuzemeesters en Papen
9.   Politiek en Revolutie
10.  De Patriottenbeweging
11.  Modernisering en Ontsluiting

 

De MEIERIJ van 's-HERTOGENBOSCH maakt deel uit van het HERTOGDOM BRABANT

De Regering van het Hertogdom bestaat uit 14 Prelaten, 24 Banderheren ( Baronnen ) en Graven, en de 4 Hooft Steden.
Het grootgrondbezit, zowel door de adel, de kerk alsmede de rijke burgerbevolking was de bezitsituatie in een Feodaalsysteem. De Steden hadden veel privileges en daardoor veel macht.
De Rivieren zijn - Schelde, Denze, Aa, Dommel, Merck, Neete, Seene, Dyle en Geete.

 
MEIERY VAN 's-HERTOGENBOSCH

    met 7 Steden en 110 Dorpen
    Kempenland ................ Eyndhoven
    Peelland......................... Helmond
    Oosterwyk , territoir van 's-Hertogenbosch
    Maasland - Graafschap Megen
    Cuyck .................. de Grave
    Heerlykheyd van Ravensteyn ( en Megen )
    Comanderye van Gemert
    Baronie van Heeze en Craanenburgh
    Baronie van Boxtel

 
DE LIGGING

De MEIERIJ VAN 's-HERTOGENBOSCH is gelegen in de Noordoost hoek van het Hertogdom Braband.
Er dient verschil te worden gemaakt tussen de HISTORISCHE en de KLEINE MEIERIJ.
De Historische Meierij is aanzienlijk groter dan het gebied dat tegenwoordig met die naam wordt aangeduid.
Met stichting van de Stad 's-Hertogenbosch rond 1180 door Godfried III breidden de Hertogen van Brabant ( toen nog met een ' d ' geschreven ) hun invloed naar het noorden uit.
Geleidelijk aan ontstond een gebied, de ' Meierij van 's-Hertogenbosch ' genaamd, dat bijna het gehele oosten van de huidige provincie Noord - Brabant omvatte.
De Meierij bestond uit 4 kwartieren :
- Het kwartier van Oisterwijk met Oisterwijk als hoofdplaats,
- Het kwartier van Kempenland met Eindhoven als hoofdplaats,
- Het kwartier van Peelland met eerst St.Oedenrode en later Helmond als hoofdplaats,
- Het kwartier van Maasland met Oss als hoofdplaats.
Tegenwoordig gebruikt men de benaming Meierij voor de dorpen die gelegen zijn in de driehoek tussen 's Hertogenbosch, Tilburg en Eindhoven, dwz. het grootste deel van het oude kwartier van Oisterwijk, enige dorpen uit het kwartier van Maasland en het noordelijke gedeelte van het kwartier van Peelland.

 
DE GESCHIEDENIS

In de vroege middeleeuwen, de periode tussen 500 en 1000, bestond het huidige Noord Brabant grotendeels uit bossen en moerassige beekdalen. Van uitgestrekte heidevelden met nederzettingen en akkers als eilandjes hierin gelegen was destijds nog geen sprake.
De grote stille heide is ontstaan tussen 1100 en 1300 door toedoen van de mens en niet door de natuur.
Vanaf het midden van de zesde eeuw begon heel geleidelijk aan de kolonisatie door de Franken, welke bij voorkeur hun nederzettingen op de zgn. donken. ( hoge dekzand ruggen in de buurt van riviertjes en beken ) bouwden. De dalen zelf waren nog onbewoonbaar.
De Angelsaksische apostel Willibrordus, de latere bisschop van Utrecht, was een der eersten die als een christelijke pionier deze 'heidense streek' heeft gekerstend.
Hij verwierf ( ? ) vele landgoederen in Brabant, die hij vervolgens overdroeg aan de door hemzelf gestichtte Abdij van Echternach ( Lux.).
De Abdij van St.Truiden verwierf op deze manier vele landerijen, de grond was toch van niemand.
De boeren moesten als HORIGEN de landerijen bewerken en de opbrengst afdragen aan de abdijen.
Zij mochten een klein gedeelte zelf houden omdat zij anders dood gingen.
In deze tijd ontstonden ook de eerste kerkjes ( houten ), en kon begonnen worden met de " godsdienstige hersenspoeling van de heidenen " en onderwerping aan de kerkelijke dictatuur.
Taxandrien, zoals de Meierij toen heette, viel onder het bisdom Luik en maakte deel uit van het aartsdiakenaat Kemperland ( Campina ), dat weer onder onderverdeeld was in de dekenaten Hilvarenbeek, Woensel en Cuijk.
Toen de handel, nijverheid en de steden in de 12e en 13e eeuw een sterke bloei doormaakten, profiteerde ook de landbouw in de Meierij daarvan.
Wol ( heide en schapen ) werd een belangrijk artikel voor de opkomende lakenindustrie in de zuidelijke steden, terwijl ook de boeren, vooral in de winterdagen als er weinig te boeren was, een weefgetouw in de boerderij plaatsten en er een levendige huisindustrie ontstond voor eigen behoefte en voor leveranties aan de handel. De woeste, dorre en verschroeide gronden, waar de hei tot aan de hemel groeide ( van waaruit toezicht werd gehouden ), moeten in deze periode zijn ontstaan. De grote schapenkuddes van de abdijen plukten het landschap kaal en zorgden er voor dat de heidevelden in stand werden gehouden. De groei van de bevolking leidde tot een grote ontginningsgolf.
De steeds omvangrijkere nederzettingen werden veelal verplaatst van de hoge dekzandruggen naar de rivier en beekdalen. De hogere gebieden bleven in gebruik als akkerland.

Ca. 1190 heeft de Brabantse Hertog Godfried III, of zijn zoon Hendrik I, de Stad 's- Hertogenbosch gesticht op een strategische plek aan de samenloop van de riviertjes Aa en Dommel.
De bewoners kregen, naast een eigen bestuur ook allerlei voorrechten van de Hertog, teneinde de groei naar een centrum van handel en nijverheid te stimuleren.

 
DE HERTOG EN ZIJN BESTUUR

Op het platteland van de Meierij had de Hertog nog weinig invloed. Het gebied was grotendeels in handen van de plaatselijke Adel ( dwz. landjeveroveraars ), terwijl ook de Graven van Holland en Gelre en de bisschop van Utrecht ( met een eigen legertje ) er veel invloed hadden en veelvuldig hun gebied trachtten uit te breiden ten koste van elkaar.
Tot halverwege de 16e eeuw zou op het platteland met grote regelmaat de noodklok worden geluid en over en weer dorpen worden platgebrand en inwoners uitgemoord. En daarna weer met z'n allen naar de kerk.

Hertog Hendrik I ging voortvarend te werk met de verovering van de Meierij. In 1203 moest de Graaf van Gelre na een oorlog van acht jaar de ' Eninge van Kempinnia ' afstaan.
Zeven jaar later werd Oosterwijck ( Oisterwijk ) gesticht door de hertog en onderwierpen de Heren van Tilburg zich aan zijn gezag. Het Graafschap van Rode ( St.Oedenrode en omgeving ) kwam in 1232 in zijn bezit.
In de loop van de 13e eeuw breidden de Hertogen van Brabant hun gezag over heel oostelijk Brabant uit. De Geldersen werden over de Maas teruggedreven en de Plaatselijke Adel werd voorgoed onderworpen.   's- Hertogenbosch groeide uit tot de hoofdstad.

De belangrijkste vertegenwoordiger van de Hertog was de MEIER ( Latijns ; Maior = Machtshebber ) of ook wel HOOFDSCHOUT genaamd. Deze had uitgebreide bevoegdheden op het gebied van bestuur, rechtspraak, financien en militaire zaken, niet alleen in de stad zelf, maar ook op het platteland van de Meierij. In ieder van 4 kwartieren van de Meierij was een Kwartierschout aangesteld als verantwoordelijke plaatsvervanger van de Hoogschout. De Meierij kreeg afgebakende buitengrenzen en een nieuw bestuur op het platteland. Er onstonden SCHEPENBANKEN, die plaatselijk bestuur en rechtspraak behartigden en aan de plattelanders een ' stem in de staat ' gaven. Boxtel kreeg zijn Schepenen in 1293. Tot de Franse Tijd bleef deze bestuursinrichting voortbestaan. Uiteraard was men niet geheel baas in eigen parochie.

 
GEMEYNTEN EN TERRITORIUM DRIFT

Van onschatbare waarde voor de dorpseconomie waren de Gemeenschappelijke Gronden, de zgn. GEMEYNTEN. Deze gronden waren niet omheind of omwald zoals de heidevelden en broekgronden De Hertogen hadden ivm. de vele oorlogen steeds geld nodig en gaven tegen een fors bedrag ineens en een jaarlijkse rente - ' CIJNS ' - vanaf ca. 1300 het gebruiksrecht op de Gemeynten aan de dorpen. Dit waren de schatkamers van de dorpen. Ze leverden gras voor het vee, hout voor brandstof en bouwmateriaal en leem voor de vlechtwerkwanden van de huizen. Verder werd er turf gestoken, en ook de bijenteelt profiteerde van de bloeiende heide. Maar de Gemeynten boden vooral de mogelijkheid om heiplaggen te steken voor de potstal. De plaggen werden er vermengd met de uitwerpselen van de dieren en door de boeren als mest op de schrale akkers gestrooid.
De bolle vormen van het oude akkerlandschap, de zgn ESDEKKEN ( Esch ! ), getuigen van een eeuwenlange plaggenbemesting. Tot de invoering van het kunstmest aan het einde van de 19e eeuw, werd de plaggenmest door de boeren als een tweede god aanbeden.. Ipv de wierookgeur van de pastoor in de kerk, waren de mestlucht en de vele vliegen een 'zaligheid' op zichzelf.
In de Hertogelijke Gemeynbrief werden de grenzen met naburige gemene gronden vastgelegd.
Ook kregen de dorpen het recht om een ' schutter ' aan te stellen, die loslopend vreemd vee moest opvangen of 'schutten '. Maar hoe keurig alles ook op papier geregeld was, toch waren er voortdurend twisten tussen de dorpen over de exacte begrenzing van hun gemeynden.
De loop van een beekje kon zijn omgelegd, een markante boom kon zijn gerooid, of grenspalen zijn verzet. Zo klaagde het dorpsbestuur van Boxtel, dat die van Esch in 1774 de grenspalen hadden vernield en dat zij uit de heide van Boxtel turf hadden gestoken en die in het openbaar verkocht.
Bij de "grenswijzigingen" werd regelmatig "boerenbedrog" gepleegd. De boeren uit Esch deden zand in hun klompen en gingen naar het betwiste gebied van Boxtel. Daar verklaarden zij onder ede en met een stalen gezicht tegen de scheidslieden en de verbouwereerde boeren van Boxtel, dat zij op Eschegrond stonden.
Soms herinneren veldnamen als Twist, of Kijfveld nog aan de jarenlange twisten over de 'gemeyne' territoriumdrift van de dorpen.

 
STAD EN LAND

Het platteland van de Meierij profiteerde sterk van de enorme groei van 's-Hertogenbosch.
Aanvankelijk werd veel hout geleverd voor de huizenbouw in Den Bosch, landbouwproducten werden daar op de markt gebracht en van de winst kochten de boeren weer werktuigen, vee ed. Voor het pachten van de vele boerenhoeven welke in het bezit waren van het Bossche Geefhuis ( armenzorg ), het betalen van de Cijns en de Tienden ( waar oa. de parochiekerk en de geestelijkheid mee werden betaald ), alsmede bij de veroordeling en eventuele terechtstelling bij een Halsmisdrijf, waarbij de Hoogschout als aanklager fungeerde, moest men in Den Bosch zijn. De verstandhouding tussen de Meierij en de hoofdstad was echter niet altijd even vriendelijk. In Den Bosch stond men afwijzend tegenover de plattelandsnijverheid omdat dit de stedelijke ambachtsgilden zou schaden. De ambachtslieden uit de Meierij konden goedkoper leveren dan zijn stedelijke vak"broeders". In 1335 lukte het de Bossche wevers om Hertog Jan III zover te krijgen dat hij het plaatsen van weefgetouwen in heel de Meierij verbood. Alleen de macht van de Hertog was niet overal groot, zodat de weefgetouwen in Oisterwijk gewoon in productie bleven. De inwoners van de Meierij moesten aan de stadswallen en verdedigingswerken van Den Bosch hun medewerking verlenen, waarvoor dan in ruil de stad het platteland tegen oorlogsgeweld zou beschermen, wat op een falikante mislukking uitliep. Oisterwijk en St.Oedenrode werden steeds zelfbewuster en trotseerden de hoofdstedelijke oppermacht. De conflicten tussen de Meierij en Den Bosch werden in 1497 bijgelegd in een overeenkomst, de RAMINGHE genaamd.

 
OPSTAND EN RETORSIE

Op 30 April 1629 trok Frederik Hendrik, de Prins van Oranje, met een flinke legermacht via een schipbrug over de Maas bij Grave de Meierij binnen en sloeg zijn kamp op in de Vughterhei.
Daags hierna vestigde hij zijn hoofdkwartier in het kasteel van Maurick te Vught, waarna alles in gereedheid werd gebracht voor een van de stoutmoedigste militaire operaties uit de Tachtigjarige Oorlog. Ruim 1400 Gelderse boeren wierpen rond 's-Hertogenbosch in enkele weken tijd een kilometers lange dijk op van ' van elf uur gaans '. Vervolgens werd ter hoogte van kasteel Nieuw - Herlaer bij St.Michielsgestel de Dommel afgedamd, zodat Den Bosch beroofd werd van haar machtigste verdedigingsmiddel : de inundatie.
Het gebied binnen de dijk werd leeggepompt en onafwendbaar naderde het Staatse leger via de loopgraven de onneembaar geachte stad. Na drie en een halve maand belegering capituleerde Den Bosch. Dit betekende voor 's-Hertogenbosch en de Meierij de grote ommekeer in de Tachtig jarige Oorlog.
De moeilijkheden waren al een eeuw eerder begonnen.
De misstanden in de oude katholieke kerk, de protestantse hervormingsideeen van Luther en Calvijn en de talrijke godsdiensttwisten van de 16e eeuw, hadden ook de Meierij niet onberoerd gelaten.
De veroveringen door de Spanjaarden, de hardvochtige godsdienst politiek van de Spaanse koning Philips II en de plannen voor een krachtig centraal bestuur, leidden tot een langdurige opstand van de zeventien gewesten der Lage Landen.
De Reformatie had haar aanhangers veelal in de Steden. In 1566 vond in 's-Hertogenbosch de Beeldenstorm plaats, waarbij veel kerken en kloosters het moesten ontgelden.
Elders in de Meierij had het Calvinisme weinig aanhang, maar op het platteland had men veel te lijden van de oorlogshandelingen tussen de Spaanse troepen en die van de opstandige Staatse gewesten. Later ging men er toe over contributie aan de strijdende partijen te betalen teneinde plunderingen en brandstichting te voorkomen.
Tot 1629 bleef de Meierij onder het gezag van de Spaanse koning, maar na de val van Den Bosch veranderde dat. Van 1629 tot 1648 bij de Vrede van Munster werd de Meierij zowel door de Spanjaarden als door de Staatsen opgeeist, omdat het niet duidelijk was of de Meierij onlosmakelijk verbonden was met de hoofdstad. Dit roerige tijdvak werd het Retorsietijdperk genoemd en de bewoners moesten naar beide zijden gehoorzamen.
Dit betekende dubbele belasting, trouw zijn aan de katholieke kerk EN het nieuwe gereformeerde geloof aannemen. De nieuwe religie schoot geen wortel, ondanks het inzetten van gereformeerde predikanten en onderwijzers ( zie stamboom Petrus van Oers 4.4 ) en het verjagen van de katholieken.
Door in het katholieke geloof veranderingen in te voeren en een vergevingsgezind beleid te praktiseren in het Bossche bisdom, vooral tijdens het Twaalfjarige Bestand ( 1609 - 1621 ), werd de bevolking immuun gemaakt voor het venijnige protestantisme.

 
HOOGMOGENDE HAAGSE HEEREN

Na de Vrede van Munster in 1648 kwam de Meierij onbetwist onder het gezag van de Staten-Generaal.
De scheuring in het Hertogdom Brabant ging met de nodige pijn gepaard en werd, als een veroverd - buitenlands - gebied, aan de Republiek toegevoegd onder de naam Staats Brabant, maar kreeg geen stem en zitting in de Staten-Generaal. Zelfs een eigen, gewestelijk bestuur, behoorde niet tot de mogelijkheden, omdat anders 's-Hertogenbosch te veel macht zou krijgen.
Er werden nieuwe belastingen ingevoerd, zodat de Meierij aan belastingen steeg van 45.000.- Gulden in 1560, tot 400.000,- een eeuw later, welk bedrag tot 1800 vrijwel constant zou blijven.
Uiteraard gingen ook de belastingen in de dorpen fors omhoog, omdat er veel geld verloren was gegaan aan het afkopen van de plunderingen en brandschattingen.
Na afloop van de Tachtigjarige Oorlog moesten sommige dorpen zelfs gemene gronden verkopen om hun schulden af te kunnen lossen.

Van 1672 tot 1715 werd de Meierij opnieuw geteisterd door oorlogsgeweld door invallen van de Franse troepen.
De economie maakte een langdurige depressie door van 1650 tot 1750.
Oorlogen,besmettelijke ziekten, door de slechte hygienische toestanden in de steden, dorpen en de boerderijen, misoogsten en overstromingen maakten het leven hard. De schuld werd de Hoogmogende Heeren in 's-Gravenhage maar al te graag in de schoenen geschoven. Zelf droeg men klompen !

 
GEUZEMEESTERS EN PAPEN

Na 1648 was er in de Meierij van een vrije uitoefeningen van de katholieke godsdienst geen sprake meer. Met harde hand werden de roomse parochiekerken gesloten of aan de gereformeerden overgedragen. Geestelijke goederen en katholieke ornamenten werden geconfisceerd en gebruikt voor de bezoldiging van predikanten en schoolmeesters - in de volksmond Geuzemeesters genaamd.
Al deze pogingen om de plattelandsbevolking van de Meierij tot het Calvinisme te bekeren werd een falikante mislukking en gaf aanleiding tot allerlei PAAPSE STOUTIGHEDEN, zoals het ingooien van de ruiten bij de dominee, het besmeuren van deuren en ramen met menselijke drek, of het spijkeren van dierenkrengen aan deuren en erfafscheidingen van de Calvinisten.
Ook het langdurig luiden van de kerkklokken, welke eigendom van de gemeenschap waren, en het gedurende de gehele Calvinistische kerkdienst paraderen met muziek en slaande trom van de plaatselijke ( katholieke ? ) fanfare rondom de kerk, was een geliefde bezigheid. De politie kwam alleen maar kijken, want zij waren zonen van katholieke ouders en zelf ook in die kerk gedoopt toen het nog een rooms bolwerk was. Er werd ook weleens geschoten, zodat de predikanten een "gevaren toeslag " van 200 gulden per jaar konden incasseren.
Maar geleidelijk aan groeide er toch een vreedzame omgang tussen de predikanten, de protestantse ambtenaren en de lokale bevolking.
De gerechtsdienaren hielden de ogen gesloten en hun handen op wanneer de katholieke bevolking, ca. 99%, in schuilkerken de mis bezocht van de Verdreven Pastoor. Ook onstonden er vele Grenskerken in die gebieden welke niet tot de Republiek behoorden. Bokhoven, Megen, Ravenstein, Gemert en de Spaanse Nederlanden boden soelaas voor de vervolgde katholieken.
Na de inval van de Fransen in 1672 vluchtten vele gereformeerden naar het veilige noorden, en nam de katholieke bevolking in de Meierij weer bezit van de parochiekerken en namen de paapse stoutigheden af. Protestanten en katholieken leefden weer harmonisch tesamen, alleen streng gereformeerden, of diegenen die naast het potje hadden gepiest, hadden geen gemakkelijk leven.

 
POLITIEK EN REVOLUTIE

De maatregelen die de Staten - Generaal tav. het plaatselijk bestuur hadden genomen, werkten sterk door in het dagelijks leven.
In het reglement op de Politieke Reformatie van 1660 werd dwingend voorgeschreven dat alle ambten, zoals dat van Drossaard ( voorheen Schout ), secretaris of koster alleen nog door gereformeerden bekleed mochten worden. Deze regel gold ook voor tijdelijke ambten, zoals Schepen, kerk- en armmeester, borgemeester ed. Alleen bij gebrek aan gereformeerde kandidaten mochten katholieken aangesteld worden. In de 17e eeuw was ca. 15% van de Schepenen gereformeerd., dit had ook te maken met de situatie dat in de katholieke Heerlijkheden de roomse kandidaten de voorkeur genoten, en Den Haag was ver weg. Ook protestantse Kwartierschouten prefereerden katholieke Schepenen vanwege het vooruitzicht van steekpenningen of " schenkagien ". Geleidelijk aan steeg het percentage protestanten in het bestuur tot 35% in 1750 en tot bijna 50% in de Patriottentijd. Het dorpsbestuur werd daardoor steeds meer een gesloten kaste van gereformeerden, terwijl de katholieke bevolking in het eigen dorp buitenspel kwam te staan. Dit gaf veel onvrede en leidde mede tot het ontstaan van de Patriottenbeweging.

 
DE PATRIOTTENBEWEGING

Rond 1780 werd de Republiek verscheurd door een revolutionaire crisis, die ook in Staats - Brabant de patriottenbeweging veel aanhang gaf, mede door de te hoge belasting en de bewuste achterstelling van de roomsen. In de " Memorie van Algemene en Wezenlijke Bezwaren " lezen we :

" Hy vindt de Ingezeten wel de gantschen dag, zonder selfs de nagt te sparen, byna, boven menschen kragten werkzaam enzwoegende voor zich , en de zynen; maar met wat gevolg ?
Voor dit alles is zyn drank, schoon water, of zuere Kaernemelk, zyn eeten aardappelen met raap-olie zo die niet te duur is ......... zyn kleding gescheurt en geplukt, met een blauwe kiel van grof linnen overdekt, zyne Ligging zonder eenige Veeren op Zakken met Stroo of dergelyke gevult, en zyn deksel van geen beter natuur, geheel afzigtelyk. "
Zelfs de gevangenen hadden het nog beter dan de inwoners van de Meierij, werd beweerd.

Vanuit 's-Hertogenbosch sloeg het patriottisme over naar het platteland, maar werd in 1787 onderdrukt. Na de inval van de Franse revolutionaire legers werd Staats-Brabant een half jaar eerder dan de rest van de Republiek bevrijd van het oude juk der Staten-Generaal.
De tweederangspositie van de katholieken was voorbij.In de zomermaanden van 1795 was de verwachting in BATAAFSBRABAND ( zoals het gewest nu werd genoemd ), hooggespannen. Zou het als nieuw zelfstandig Gewest in de Nationale Vergadering worden opgenomen, of zou het onder het oude juk van het Generaliteitsgezag blijven. In Den Bosch droomde men van een herleving van de aloude overheersing van de Stad over het platteland. Minachtend werd daar neergekeken op de dorpelingen.
Pieter Vreede, een lakenfabrikant en een patriottisch kopstuk verplaatste zijn bedrijf naar het platteland, nl. Goirle, en zette hiermede de hegenomie van de steden schaakmat.
Vanuit Tilburg begon hij de publieke opinie in Brabant te mobiliseren tegen de plannen van de Staten-Generaal om Brabant weer onder het Generaliteitsgezag te plaatsen.
Patriottensocieteiten schoten als paddestoelen uit de grond, en de Staten-Generaal besloot te gaan onderhandelen met de kersverse Brabantse volksvertegenwoordigers. Op 11 Juli 1795 werd er een accoord gesloten, zodat Brabant nog een half jaar onder het gezag van de Staten-Generaal zou blijven en daarna als zelfstandig gewest tot de Nationale Vergadering werd toegelaten. Het moest nog wel door stemming bekrachtigd worden door de inwoners van Bataafs Braband - thuisblijvers werden geacht te hebben 'voor' gestemd - en 's-Hertogenbosch was, zoals te verwachten, sterk tegen. Het accoord werd goed bevonden, maar het bleef nog lang onrustig in het Paapse Zuiden.
De protestantse heersersklasse kwam zwaar onder druk te staan en werd verbannen uit zijn positie. Binnen tien jaar raakte 60% van de dominee's, onderwijzers en bestuursambtenaren hun posities kwijt De kerken werden door de katholieken genaast en ontdaan van alle gereformeerde sporen inclusief de graven.
Door deze ( begrijpelijke ? ) excessen laaiden de anti-katholieke gevoelens in de Republiek weer op, alhoewel de katholieke clerus er alles aan deed een en ander in wat rustiger vaarwater te brengen.

 
MODERNISERING EN ONTSLUITING

In het begin van de negentiende eeuw was de Meierij in politiek opzicht een eenheidsstaat met een krachtig koninklijk gezag. De dorpen waren uitvoerende administratieve instellingen geworden onder een centraal gezag.
De traditionele plattelandssamenleving was nog grotendeels intact, met de landbouw tot ver na 1850 als voornaamste middel van bestaan, waarbij vele verbeteringen werden doorgevoerd.
De Meierij was een van de eerste regio's waar de industrieele revolutie begon, met name de textiel - industrie. Door de ontsluiting van het platteland middels het "bekeien" van de karresporen, de aanleg onder het bewind van " kanalenkoning " Willem I van waterwegen, ( zoals in 1826, parallel aan de niet bevaarbare Aa, de Zuid-Willemsvaart ) en de aanleg na 1860 van tram- en spoorwegen, was de basis voor een voorspoedige ontwikkeling van de voorheen armetierige Meierij.

 

De Poffer   en   de Pieper

www.geslacht-vanoers.nl