GENEALOGIE VAN HET GESLACHT VAN OERS Sluiten       
Bijlage 02   -   De bewoners

1.   De bewoners
2.   Het land
3.   Het bedrijf
4.   Mens en dier

 

DE BEWONERS

De predikant Stephanus Hanewinkel schreef in 1801 :
" Een Jood, een heiden, zelfs een Turk is mensschenlievender en verdraagzamer dan de Roomse Meierijenaar ". Eigenbelang en afgunst heerscht er in een hoogen mate. In kleding, spreken, godsdienst, bijgeloof, onkunde en snapachtigheid zijn zij Brabanders " Deze Christelijke predikant werd door Servaas van der Graaff iets genuanceerder gecorrigeerd in zijn Historisch - Statistische Beschrijving van het Departement Braband van 1807 :
" De inwoners van de Meierij zijn, over het algemeen beschouwd, een zeer goed slag van menschen, waaronder men zeer wel en genoegelijk kan leven.
In het algemeen zijn de Meierijenaars meer gezond, wel geschapen en sterk, dan mooi of bevallig.
Scheelzienden, kreupelen of gebogchelde zal men zelden onder hun aantreffen, maar daarentegen worden in de Meierij maar weinig vrouwen gevonden die zoo schoon en bevallig zijn, als men dezelve in Holland, Friesland en Gelderland aantreft, en allerminst op die Dorpen en Gehugten, die het verst van stromend water verwijderd zijn, daar vindt men zelfs lelijke aangezigten en lompe ligchamen, waarvan, natuur- en gelaatkundig geredeneerd, zeer wel de oorzaak zoude zijn op te geven ; en het is daar ook, dat men de meeste zieken en de grootste armoede aantreft "

Was men in de Meierij op doorreis, dan werd men geconfronteerd met de eeuwige heide- en rogge- velden, evenals de stuifzanden, murmelende riviertjes en armoedige zanddorpjes.
Op de dorre akkers moesten de boeren van de vroege ochtend tot de late avond hard zwoegen voor een karig bestaan. Het voedsel bestond voornamelijk uit boekweitpap, peeen, karnemelk en de bekende aardappelen van Van Gogh. - Brood was duur.
Het armoedige bestaan was niet alleen te danken aan de schrale zandgrond, maar ook omdat ze bezocht werden door de Bijbelse plagen als de hoge belastingen, oorlogen en de protestantse ambtenaren van boven de grote rivieren.
Alsof al deze beproevingen nog niet erg genoeg waren, werd de openbare uitoefening van het katholieke geloof streng verboden of, in het beste geval, gedoogd tegen betaling van forse sommen zwijggeld. Desondanks, of misschien wel daardoor, bleef de Meierijenaar trouw aan zijn steun en toeverlaat, het katholieke geloof. Juist in zijn simpelheid had de landbouwer bij rampspoed en het hoge aantal sterfgevallen van zijn kinderen, veel steun aan ' zijn ' priester.
Knarsetandend moesten de protestantse priesterjagers toezien, dat de bevolking stiekem de missen bezocht en als vanouds devoties en processies hield.
Dit is het traditionele beeld van de plattelands Meierijenaar in een pastoraal landschap.

De Meierijenaars waren een gesloten, sterk van elkaar afhankelijke, bevolkingsgroep. Doordat er van de16e tot de 19e eeuw op het platteland weinig of niets fabrieksmatig werd geproduceerd draaide het leven goeddeels om het boerenbedrijf, met daaraan inherent de molenaar, bakker, smid, timmerman, etc. teneinde de voedselbehoefte te kunnen realiseren. Men was hiermede dagelijks en langdurig bezig. Het woord vacantie bestond niet, theaterbezoek was er alleen in de grote steden, maar er was echter wel de fanfare, de schutterij met zijn klootschieten en af en toe een kermis in een groter dorp.
De boer werkte hard op het land voor zijn oogst en in de bedstede aan zijn bevruchtingscyclus.

De boerin had het nog zwaarder, omdat zij naast het krijgen van zeer veel kinderen, en de huiselijke werkzaamheden, ook nog eens de verantwoording had voor het voederen en verzorgen van het vee. Zonder goede voedering geen goed vee, geen goede mest, en dan ook geen goede oogst en geen goede bestaansmogelijkheid. Zij sloofde van de vroege morgen tot de late avond voor haar ' koeikens '.
De vele tientallen liters water, die een koe dagelijks dronk, moesten door de vrouw, eventueel geholpen door haar kinderen en misschien een meid, uit de waterput worden geschept en naar de stal worden gesjouwd. Als het vroor moest dit water eerst nog worden voorverwarmd. Ook het melken van de koeien en het bereiden van de boter was haar taak.
Vooral het karnen was een tijdrovend en zwaar werk. De kneepjes van het vak werden van moeder op dochter doorgegeven.

De vrouw moest de varkens voederen, het groen plukken, kleding wassen met de hand en dat alles eventueel met een dikke buik, soms jaar in jaar uit, want de pastoor hield toezicht. Tijdens de oogst werd letterlijk buiten geleefd. Voor de schaft - in de hitte met de volle zon op de hel gele akkers - nam men eten mee en drinken in de karakteristieke blauw-emaille drinkenskannen. Tijd om op de boerderij aandacht aan de kinderen te besteden werd, indien de ouders of schoonouders op de boerderij inwoonden, door hen verzorgd. Het kwam echter ook voor dat juist deze ouders op hun oude dag waren komen inwonen omdat zij verzorging nodig hadden.
Als er bij het oogsten of rooien niet op de kinderen kon worden gepast, nam men ze ook maar mee naar de akker of het land .
De kinderen werden, als zij niet op school waren, intensief in het boerenbedrijf ingeschakeld, voor het weiden der koeien, hout sprokkelen, met wat rogge naar de molenaar om het te laten malen, etc ,

" en soms was er voor hen nog tijd om wat te spelen of te ravotten "

 
HET LAND - HET VERKEER EN TRANSPORT

Bossen en uitgestrekte heidevelden, vennen en akkers met wuivend rogge, omzoomd door Canadassen, grote kerken in stille dorpen verbonden door mulle zandwegen, kabbelende beekjes en kleine onbevaarbare riviertjes, dat is het beeld van het landschap van de Meierij tussen 1500 en 1900. Zeer romantisch, maar het is het levensdecor van de arme en vrome bevolking, en het terrein van de moeizaam door ossen voortgetrokken lange rij van karren op weg naar "ergens" in een soms door struikrovers onveilig gemaakt gebied. In de winter waren de "wegen" veranderd in een aaneengeschakelde reeks van modderpoelen. De karren werden dan langs de weg gestuurd, en zo ontstond er een fijnmazig net van parallelle wegen.

Een Meierse boer en boerin in ' pakkie an deftig ' op weg naar de markt of de kerk.   Achter hen trekt een os een kar.
Rond 1885 had zo'n 30% van de boeren in de Meierij een os als trekdier.

 

De markt van 's-Hertogenbosch in 1860.
Op marktdagen verkocht men er niet alleen eigen producten, maar schaften de boeren er ook allerlei benodigdheden voor
bedrijf en huishouden aan, maar b.v. ook kerkboeken en religieuze relikwieen.
De verder van de stad gelegen boerderijen en dorpen werden regelmatig door marskramers bezocht.

 

Bij de terugkeer van de Bossche markt, gebruikt een boer zijn 'hoogkar' om het 'vrouwvolk' mee naar huis te nemen. De meisjes dragen hier de zwarte 'kindermutsen', die ze op huwbare leeftijd zullen verruilen voor een witte muts of de POFFER, zoals het melkmeisje.
Het vervoer over water was door de onbevaarbaarheid van de Dommel en de Aa niet mogelijk. De bevolking reisde te voet, veelal, zoals b.v. de boeren uit Den Dungen, met groente en fruit naar de markt in Den Bosch. Het was maar een klein uurtje lopen met de handelswaar op de rug. Handelaren, marskramers, zwervers, boodschappers, soldaten en los werkvolk liepen ook, terwijl later, toen de plaatselijke kerk door de protestanten in bezit was genomen, en de bijwoning van de mis onmogelijk was gemaakt, de kerkgangers dwars door de landerijen naar gebieden liepen waar dit nog wel mogelijk was. Het is bekend dat, bv. inwoners van Oerle helemaal naar de Achelse Kluis liepen - en terug - , omdaar de katholieke heilige dienst bij te wonen.

Indien men geld had reisde men te paard of met de paardenkar, getrokken door een of meerdere paarden. Een reis van Den Bosch naar Maastricht duurde twee dagen, waarbij regelmatig van paarden gewisseld moest worden, o.a. te Liempden, en de overnachting meestal in een herberg in Eindhoven plaatsvond. Vanaf de 18e eeuw was alleen het gedeelte van Den Bosch tot aan Best met keien, onregelmatig verhard, de rest tot Maastricht was zand en nog eens zand, of een grote modderpoel. Zware vrachten werden met een ossenwagen getransporteerd, omdat deze sterke beesten de wagens beter door het mulle zand konden zeulen dan een paard. Men reed dan meestal in colonnes vanwege het plunderingsgevaar onderweg.
Verder was er weinig behoefte om te reizen, omdat men constant bezig was zijn karige levenssituatie in het gareel te houden.
Voor de bewoners van de Meierij waren de "wegen" in het dorp het meest van belang... Voetpaden, waarlangs de dorpelingen naar kerk-, molen- of dorpsschool gingen, liepen kris-kras door de dorpen. Voor een omweg voelde men weinig. Om ergens sneller te zijn, liep men desnoods door de akker van de buurman en als dit voorbeeld door anderen werd gevolgd, was er al snel een nieuw pad. Verharde wegen in de dorpen - en daar buiten - waren tot in de achttiende eeuw een zeldzaamheid. In Boxtel had men zeer voortvarend - de Boxelaars heten niet voor niets de keistampers - reeds in de vijftiende eeuw een verharde Langesteenstraat door het dorp. ( tegenwoordig de Rechterstraat ). Vaak gebruikte men keien die op de heide werden gevonden, waarvoor armen en bedelaars er op uit werden gestuurd om die te zoeken, als een soort van werkverschaffing of als straf voor een 'misstap'.

 
HET BEDRIJF EN DE WONING

Men dient zich te realiseren dat in de boerderijen, welke de gehuchten en dorpen vormden, of afzonderlijk gelegen waren in het land, de woonomstandigheden zeer primitief waren.
Er was geen electrisch licht, geen gas, en de kaarsen waren duur en moeilijk te verkrijgen, zodat men, als het donker werd, naar bed ging - dwz. 'met de kippen op stok ' - en bij het kraaien der haan weer uit de veren.
De boerderijen met hun gemengde bedrijfsvoering lagen bij voorkeur in de overgangszone tussen de hoge en de lage gronden en op de oeverwallen van de Dommel en de Aa. Van elk groepje boerderijen leidden zandwegen naar de weiden en het hooiland in het beekdal, of naar de hoger gelegen akkers en de verderop gelegen graasgronden op de heide. Het vee stond zoveel mogelijk opstal omdat het vergaren van mest van levensbelang was. Op de zeer schrale grond van de Meierij waren drie dingen onmisbaar -
1e mest, 2e mest en 3e mest.
Ook 's zomers kwamen de dieren vaak alleen 's morgens na het melken en aan het eind van de middag even naar buiten om wat groen te vreten. Bij slecht weer bleef het vee de gehele dag binnen.

" 'n Koei mog nie zeiknat worren, zo'n bist kos hardstikke dood donderen en dat waar grote zund ".

Door het vee werd het stro en de mest in de stal innig vermengd. Als de stal vol raakte, wat afhankelijk van het aantal beesten elke vier tot acht weken het geval was, werd met een kar de mest uitgereden, het zgn. "ouwtvaoren". Hoe onmisbaar de mest was , blijkt uit het feit dat op een hectare grond jaarlijks maar liefst honderdtwintig karrevrachten mest werden uitgestrooid. Op de heide werden plaggen gestoken en uit de houtwallen verzamelde men 'strooisel' .Een ander belangrijk ingredient van de stalmest vormde het kleingesneden roggestro. Het uitmesten van de stal en het laden, lossen en breken van de mest behoorde tot de zwaarste werkzaamheden op de boerderij.

Het was een " porverdikkes kaoi werk en grote smeirlapperij "

De stalmest was in de loop der weken onder de hoeven van het vee een vaste substantie geworden, die eerst in stukken gesneden moest worden. Dit gebeurde met een zware spade, voorzien van een breed en spits toelopend blad, de zgn 'meststik'. Op deze wijze werd de stalmest in regelmatige blokken van ca. een vierkante meter gestoken en door een tweede man met behulp van een mestriek op de "erdkar" geladen. Om te zorgen dat het trekdier de kar uit de diepe potstal naar maaiveldhoogte kon trekken, werd er voor die gelegenheid een karrespoor gegraven. Met de volle erdkar werd koers gezet naar de akker. Daar trok de boer met de mesthaak telkens mestplaggen van de kar, zodat dat deze in hopen verspreid over de akker kwamen te liggen, om vervolgens met een riek te worden losgewerkt en regelmatig over het land verspreid, het zgn " mest breken ". Voor de boeren die in de buurt van een grote stad hun bedrijf hadden waren er in de 19e eeuw wat alternatieven voorhanden zoals, stratendrek en ' Stadsbeer '. Deze vloeibare menselijke uitwerpselen werden door de boer opgehaald en vervoerd in een speciale, taps toelopende houten kist, die precies in de erdkar paste De mest werd hierna direct over het land verspreid. Pas in 1850 kwamen kunstmest producten op de markt, de zgn " Verneukpoep ".

In veel boerderijen was in de voorstal een stookplaats, bestaande uit een rond muurtje die aan de bovenzijde was omsloten door een ijzeren band. In deze stookplaats hing een ijzeren ketel welke bij het koken was gesloten door een houten deksel. Deze ketel werd de " Sopketel " genoemd. Het vuur onder deze ketel werd vanuit de woonruimte gestookt, terwijl de rook werd afgevoerd door een schoorsteen, welke eindigde in de grote schouw van de gemeenschappelijke leefruimte. De as, van het 'geriefhout' uit de houtwallen, werd zorgvuldig verzameld en als meststof gebruikt.

Voor de boerin was de sopketel de kern van het bedrijf, want het hele jaar door kregen de beesten sop gevoerd. In de winter was dit drie keer per dag warme sop en in de zomer werd twee keer per dag koude sop bijgevoerd. Wat er in de sopketel terecht kwam was afhankelijk van wat er groeide of wat er in voorraad was. Etensresten, stoppelknollen, spurrie, aardappelen, wortelen , kaf, vlasdoppen, jonge distelplantjes, gesneden nahooi en soms karnemelk waren de bestanddelen van deze Haute Cuisine. Als de sop gaar was werd er wat haver- en roggemeel doorheen geroerd. Als er in een jaar veel eikels konden worden geraapt, werden ook deze gemalen en in de sopketel verwerkt.

Het aanzien van de agrarische gehuchten en dorpen werd goeddeels bepaald door de lage, langgerekte boederijen en een buiten proportionele grote kerk.
De boerderijen waren opgetrokken in natuurlijke materialen, afkomstig uit de directe omgeving, en hadden een rechthoekige plattegrond van 5 tot 8 meter breed en 15 tot 30 meter lang.

 
MENS EN DIER LEEFDEN ONDER EEN DAK

De boerenwoning was zelf zeer eenvoudig ingericht. Een gang was er niet, men "viel met de deur in huis ". Dit grote vertrek werd de " haard "genoemd.
De breed uitgebouwde schoorsteen diende voor het koken van het eten, alsmede voor de verwarming. Er werd gestookt met veel rook verbreidende heide-plaggen, turf en hout, zodat de gezamelijke woon, kook - en slaapruimte altijd gevuld was met de lucht van rook en de geur uit de sopketel, aangevuld met de odeur van ongewassen kleding en lichamen. Men sliep tot in de twintigste eeuw nog in bedsteden. In dezelfde ruimte werden kinderen geboren en gemaakt, en ging men er dood.

De boerderijen hadden een fors rieten / strooien kap, rustend op drie rijen eikenhouten palen die werden eenvoudigweg in de grond gestoken. De wanden waren geen lang leven beschoren, gemaakt van in de grond gegraven stammetjes, of van riet of "vitselstek" - een goedkope en doeltreffende vulling van gevlochten wilgetwijgen, aangesmeerd met leem en fijngehakt stro. Tot in de 19e eeuw waren deze wanden in gebruik. De constructie van de drie rijen palen voor de stal, is in de loop der tijden gewijzigd door het aanbrengen van een extra rij palen, waardoor een middenpad ontstond en men de dieren aan beide zijden kon stallen.
Pas na de zestiende eeuw, toen er gemakkelijker bakstenen te verkrijgen waren, werd er links en rechts overgegaan tot het bouwen van stenen boerderijen.

Als een van de wederzijdse ouders kwam inwonen omdat men hulpbehoevend was, gebeurde het vaak dat een "stukje werd aangebouwd I.v.m. de grote huishoudens was dit in de boerderij zelf niet mogelijk.
Het kwam vaak voor dat twee gezinnen in een boerderij woonden, ( zoon of dochter bij de ouders ingetrouwd ) zodat het woondeel werd gesplitst in de voorgevel voorzien van een tweede ingang. Soms werd er van meet af aan een " twee onder een kap " boerderij gebouwd.

www.geslacht-vanoers.nl