GENEALOGIE VAN HET GESLACHT VAN OERS Sluiten       
Bijlage 05   -   Rechtspraak en Bestuur in de 17e en 18e eeuw

1.   Rechtspraak
2.   Dorpsbestuur
3.   Recht van het volk

 

DE RECHTSPRAAK

In de 17e en 18e eeuw was de rechtspraak totaal anders dan tegenwoordig. Men kende toen niet, zoals nu, een uniforme rechtelijke organisatie, die voor het gehele land geldende rechtsregels hanteerde en opteerde met onafhankelijke recht00ers.
Vroeger werd nl. rechtgesproken door de SCHEPENEN die door de Hertog, de plaatselijke Heer of, zoals in het voormalige Staats Brabant, door de Staten Generaal werden benoemd, meestal uit de meer gegoede inwoners van het betreffende rechtsgebied.
De SCHEPENBANKEN, die tot 1803 hebben bestaan, spraken recht volgens van plaats tot plaats afwijkende rechtsregels, KEUREN of ordonnatien genaamd en hadden niet alle dezelfde bevoegdheden. Men onderscheidde namelijk schepenbanken met hogere, middelbare en lagere rechtsmacht.
Zo had de Boxtelse Schepenbank hogere rechtsmacht, hetgeen de middelbare- en lagere rechtsmacht insloot, ( Esch zal middelbare rechtsmacht hebben gehad ).
Hogere rechtsmacht betekende onder andere dat de Boxtelse Schepenen het recht hadden de 'doodstraf' uit te spreken. Ook had de Boxtelse Schepenbank het recht om zware misdrijven te berechten waarop lijfstraffen stonden, zoals blijvende verminking. De strafrechtspraak geschiedde meestal op grond van een door of namens de DROSSAARD aan de Schepenbank gerichte schriftelijke aanklacht.
De Drossaard had een gecombineerd ambt : te vergelijken met het huidige burgemeestersambt en de functie van officier van Justitie. Men sprak niet alleen recht in "criminele zaken", maar ook in burgerlijke zaken.
Bovendien had de Schepenbank de bevoegdheid om kleine civiele zaken en overtredingen te beoordelen.
Het was in deze dagen niet ongebruikelijk, bij gebrek aan een goede locatie wegens het ontbreken van een Gemeentehuis, dat de Schepenbank zitting hield in herbergen,

HETGEEN WELEENS EEN NADELIGE INVLOED HAD OP DE KWALITEIT VAN DE RECHTSPRAAK

Voor Boxtel was dit in ieder geval vanaf 1661 afgelopen, want het "Regelement op de politie" van dat jaar bepaalde : "dat voortaen alle banckspanningen, gerechten ende magistraetsvergaderingen niet en sullen mogen gehouden worden in eenige herberghe ofte andere bysondere plaetsen, maar alleenlijk in het Raedthuys.

 

DORPSBESTUUR

Voor de Franse tijd ( rond 1800 ) behoorden Boxtel en Esch tot het Kwartier van Oisterwijk, een van de vier Kwartieren van de Meierij van 's-Hertogenbosch.
Aan het hoofd van de Meierij stond de HOOGSCHOUT, terwijl in elk van de vier Kwartieren een KWARTIERSCHOUT de hoogste bestuursambtenaar was.

Het GEMEENTEBESTUUR bestond in die tijd uit een DROSSAARD en SCHEPENEN.
Bij sommige gelegenheden was het echter nodig de z.g. BREDE RAADSVERGADERING te houden.
Dit gebeurde in elk geval wanneer er processen gevoerd gingen worden, of wanneer men van plan was geldleningen aan te gaan. Ook het goedkeuren van de gemeenterekeningen gebeurde in de Brede Raadsvergaderingen.

In de 16e eeuw vonden deze vergaderingen in Boxtel plaats "onder de Lindeboom aan de Strijpt".
Deze Brede Raad, ook wel CORPUS (= lichaam) genoemd, was het Gemeentebestuur in zijn meest BREDE samenstelling. De navolgende functionarissen maakten deel uit van het Boxtelse Corpus :
(Het Eschse Corpus was op dezelfde manier samengesteld, maar kleiner.)

DROSSAARD - [ SCHOUT ].
Hij was feitelijk de plaatsvervanger van de BARON of BAANDERHEER en stond aan het hoofd van het CORPUS. Hij was ook voorzitter van de schepenbank, zorgde voor de openbare orde en veiligheid en had ondermeer toezicht op de Armenzorg.

SCHEPENEN - in aantal varierend afhankelijk van de grootte van de gemeente, zij vormden het Dagelijks bestuur, maar hadden ook Rechtelijke taken. Behalve met de plaatselijke rechtspraak in Criminele- en Civiele zaken, was de Schepenbank ook belast met de z.g. Vrijwillige rechtspraak :zaken als Eigendomsoverdracht, Delingen, Testamenten en Geloften werden meestal door de schepenen afgehandeld. Ze namen dus ook een gedeelte van het werk van de Notaris op zich.
Tenslotte werden ook WETTELIJKE HUWELIJKEN gesloten door de schepenen.
En van de schepenen was PRESIDENT SCHEPEN.

BORGEMEESTERS - (niet te verwarren met onze Burgemeester).
Dit waren een aantal personen die, op voordracht van de schepenen, benoemd werden door de KWARTIERSCHOUT.
Zij inden de Lands - en Dorpsbelastingen en beheerden de geldmiddelen van de Gemeente.

ARMMEESTER (S) - , ook wel HEILIGE GEESTMEESTERS of PROVISOREN van Tafel van de Heilige Geest genoemd, behartigden de belangen van de Boxtelse armen en beheerden de financien van het Armbestuur.

WIJZE MANNEN - waren de vertegenwoordigers van de BUURTSCHAPPEN of HERDGANGEN van de Gemeente. Zij waren de helpers van de BORGEMEESTERS. Hun werk bestond uit het opstellen van de Lijsten of Kohieren t.b.v. de belastingheffing. Ze moesten de EED afleggen dat ze bij het taxeren van landerijen of andere goederen niemand zouden bevoordelen. (Over benadelen werd niet gesproken, wat dat betreft is er weinig veranderd.)
De GEZWORENEN werden in een bepaalde periode eveneens uitgenodigd voor de CORPUS vergaderingen. Hoewel de term Gezworenen soms gebruikt wordt als algemene aanduiding voor BESTUURDER, iemand die de eed heeft afgelegd, bedoelt men meestal met dit woord de beheerder van de zogenaamde GEMENE GRONDEN ofwel GEMEYNTEN. Gemeynten waren gebieden met woeste gronden (hei, wild grasland of bos) die GEMEENSCHAPPELIJK gebruikt werden door de gerechtigden, voor het weiden van vee, het kappen van hout en het steken van plaggen en turven.

Gegevens ontleend aan "van vagebonden, dieven en drinken broers" door Drs. Wil Doyen en Gied Segers

 

RECHT VAN HET VOLK

Het uitoefenen van de sociale controle in de dorpsgemeenschap werd zo weinig mogelijk uitbesteed aan kerk en overheid. Als de dorpelingen de ongeschreven regels van de gemeenschap overtraden,nam men liever het recht in eigen hand. In de Meierij waren deze gebruiken beter bekend als het "ploegspannen" en "tafelen". Een man die regelmatig zijn vrouw mishandelde, liep het risico op een avond door een grote menigte vrouwen en jongeren uit zijn huis gesleept en voor de ploeg gespannen te worden. Onder afgrijselijke ketelmuziek van toethorens, deksels, ketels en dergelijke en onder het geknal der zwepen moest hij een stuk van het erf omploegen.
Na afloop van dit slopende karwei moest het 'trekdier' plechtig beloven, dat hij zijn vrouw voortaan goed zou behandelen. Na afloop dronk en at de menigte alles op, wat in huis van het slachtoffer te vinden was.

Het "tafelen" of "toffelen" werd vooral toegepast bij het uitraken van een verkering of het verbreken van de trouwbeloften. Op Zaterdagavond werd dan op de vier hoeken van het dorp op de hoorn geblazen om mensen op de been te krijgen. Vervolgens ging de menigte van meestal ongetrouwde jongemannen in optocht naar de woning van de 'overtreder'. Onderweg nam men allerlei werktuigen, huisraad en karren mee, die in grote wanorde op het erf werden gedeponeerd. Om het 'verkeerde' karakter van de overtreding te benadrukken werden de karren 'geus' gemaakt, dit wil zeggen dat de burries met vereende krachten onder de as werden doorgehaald. Het huis werd bevuild met drek en waardeloos afval zoals kaf en dierekrengen. Soms werden , onder luid gejoel en ketelmuziek, de betreffende personen in de vorm van strooien poppen belachelijk gemaakt en op een kar gezet of in een boom gehangen. Het slachtoffer van een volksgericht vergat zo'n les van zijn leven niet meer. Of hierdoor de zaak waar het om ging werd terug gedraaid valt te betwijfelen.
Een priveleven was in de dorpsgemeenschap, vol met roddel en achterklap, haast niet mogelijk, maar hier staat tegenover dat bij rampspoed van een van de dorpelingen, de gemeenschap te hulp schoot.

www.geslacht-vanoers.nl