GENEALOGIE VAN HET GESLACHT VAN OERS Sluiten       
Bijlage 07   -   TROUWEN IN HET VERLEDEN EN HET AFSTAMMINGSRECHT VAN HEDEN

1.   Wanneer komt een huwelijk tot stand
2.   Het goudvishuwelijk
3.   Het barrière huwelijk
4.   Het weduwen huwelijk
5.   Het overspelige huwelijk
6.   Het afstammingsrecht in het moderne huwelijk

 

Daar de huwelijksvoltrekking in het oorspronkelijke katholieke systeem en de nieuwe wetten bij het "officieele" burgerlijke huwelijk nogal wat problemen hebben gekend, is het interessant na te gaan wat er zoal nog meer van invloed is geweest op de uiteindelijke "gemeenschap ".

De 18e eeuwse jurist Franciscus Kersteman stelt in zijn Hollandsch rechtsgeleert Woordenboek huwelijk, echt of trouw op een lijn ; zo spreken we nog steeds over Echtgenoot en Trouwring.
De Germanen waren " bijkans d'eenige van de barbaren, die yder met een wijf tevreden waren met uitzondering van de zeer weinigen die "niet uit geilheit, maar om hunne aadel" met meer vrouwen de bruiloft vierden.
Hugo de Groot geeft in zijn Inleidinge tot de Hollandsche rechtgeleerdheid - geschreven in de gevangenis van Loevenstein anno 1620 - een duidelijk overzicht van de voorschriften die in de Republiek in Holland golden m.b.t. het begin en het einde van het huwelijk, dat beschreven wordt als een "verzameling van man ende wijf tot een gemeen leven, mede brengende een wettelick gebruick van malkanders lichaam".
Een "union" gesloten volgens de wetten van de kerk en van de staat met als doel in gemeenschap te leven en kinderen groot te brengen. Zo luidt de omschrijving in een land waar de wetten van de kerk het huwelijk als sacrament en die van de staat het huweljik als een civielrechtelijke overeenkomst beheersen.
In het roomskatholieke Belgie en Frankrijk was het dan ook het kanonieke recht dat de sluiting en de ontbinding van het huwelijk regelde.De vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijkscontract - algemene gemeenschap van goederen, gemeenschap van winst en verlies - werden altijd en overal door de wereldlijke wetten en gewoonterecht beheerst. In de protestantse landen waar de protestantse kerken het huwelijk niet als een sacrament claimden, was ook de huwelijkswetgeving een zaak van de wereldlijke overheid, met dien verstande dat de gereformeerde wereldlijke overheid kon bepalen dat de huwelijks sluiting rechtsgeldig in de gereformeerde kerk kon geschieden.

Voordat de Hollandse wetgever bij de Politieke Ordonnantie van 1 April 1580 het huwelijksrecht regelde, ja wel moest regelen, was er een zeer chaotische toestand ontstaan, de R.K. authoriteit was weg.

Om het geheel nog ingewikkelder te maken bestonden er nog diverse vormen van huwelijken :

    WANNEER KOMT EEN HUWELIJK TOT STAND
    HET GOUDVIS HUWELIJK
    HET BARRIERE HUWELIJK
    HET WEDUWEN HUWELIJK
    HET OVERSPELIGE HUWELIJK
    HET AFSTAMMINGSRECHT IN HET MODERNE HUWELIJK

 
WANNEER KOMT EEN HUWELIJK TOT STAND

De R.K. kerk kende de regel dat het sacrament van het huwelijk door de man aan de vrouw en door de vrouw aan de man wordt toegediend door de wilsverklaring elkaar te trouwen - "Sponalia de Presinti" welke wilsverklaring door de huwelijksnacht ondubbelzinnig werd - "Sponalia e Copula Carnalis" [ vleeselijke gemeenschap ] = matrimonium perfectum, alleen door de dood te ontbinden.

Om enigszins orde op zaken en personen te stellen werden o.m. afkondigingen - de zondagse geboden - voorgeschreven.
Formaliteiten , die bij niet inachtneming toch problemen gaven zoals Jan Willemsz schipper en Claes Evertsz, brouwerszoon in de vijftiger jaren van de 16e eeuw ervoeren.
In de Goudse herberg " den Stoetel " had het tweetal op 4 augustus 1551 Seer hoog gedronken. Des ondanks deden zij zaken. De schipper had een koggeschip aan Claes verkocht voor 22 pond met de vreemde clausule dat Claes niet hoefde te betalen als het Jan Willemsz niet zou gelukken binnen 24 uur - dat was voor 5 augustus 6 uur 's avonds - een gehuwd man te zijn met inachtneming van de " ordonnantien van de heylige kerke ". Het lukte Jan voor die tijd met een "geechte huysvrouw" in het huwelijk te treden, waarop hij de brouwerszoon de rekening voor het koggeschip presenteerde. Die betaalde echter niet omdat de voorwaarde naar zijn mening, een onmogelijke was - de drie Zondagse geboden eisen minimaal 15 dagen - en de onmogelijke, niet te vervullen voorwaarde maakte daarom de overeenkomst m.b.t. het koggeschip nietig. Men procedeerde hierover voor de schepenen van Gouda, voor het Hof van Holland en voor de Grote Raad die op 21 April 1555 - dus drie en een half jaar later - de uitspraak deed dat de brouwerszoon gehouden was te betalen.
Pas in 1563 werd nietigheid gesteld op clandestiene huwelijken, die niet ten overstaan van een pastoor en getuigen in facie ecclesiae plaatsvonden.
Het huwelijk is voltrokken wanneer de plechtige Ja - woorden zijn uitgesproken (art 67 NBW) Dominee, magistraat en ambtenaar bevestigen elk op hun wijze hetgeen zij gezien en gehoord hebben. Als een van de partijen in gebreke blijft, dus het ja-woord niet geeft is het huwelijk niet gesloten. In de kanonieke periode was het tesamen te bedde gaan ook rechtens van betekenis, pas dan was het huwelijk perfect. De schenking door de man aan de vrouw, de zgn. morgengave, zou ook onderstrepen dat pas dan de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk intraden.
De Politieke Ordonnatie van 1580 spreekt niet over de huwelijksnacht maar zegt dat het huwelijk is voltrokken wanneer de aanstaande echtgenoten hetzij voor de kerkendienaar of voor de magistraat , ( het gerecht ) haer trouwe openbaerlijck hadden gegeven ende bekent gemaeckt.
Deze toevoeging was mede het gevolg van de beroemde procedure waarover de H.R. op 4 mei 1599 een uitspraak deed.
Het is de casus van Floris en Liesbeth die in het huwelijksbootje stapten dat hun noodlottig werd.
In de waterige omgeving van Leiden waren Floris en Liesbeth - in ' gesicht en bijwesen der bloedverwanten . . . . . openbaerlijck in de kerck sonder eenige voorgaande houwelijkse voorwaarde . . . . getrouwt, waarna zij laat in de nacht naar huys souden varen, soo zijn zij door groot onweder, met de schuyt omme geworpen en sij zijn, dood zijnde, soo als zij malkanderen in hare armen hadden genomen, uyt het water gehaald ; en de ouders hebben deselve in een en't selve graft begraven.
Maar toen de tranen gedroogd waren, ging de vader van het meisje procederen tegen de vader van de jongen. Het meisje was rijk aan schoonheid maar niet gezegend met aardse goederen - de jongen was mooi en rijk. Huwelijkse voorwaarden waren niet gemaakt waardoor algehele gemeenschap van goederen bij de huwelijkssluiting zijn aanvang zou hebben genomen. De algehele gemeenschap bracht met zich mee dat de man en de vrouw elk voor een gelijk deel in het geheel - dus ieder voor de helft - zijn gerechtigd. Wanneer de man fl. 99.000 ten huwelijk aanbrengt en de vrouw fl. 1.000 dan omvat de gemeenschap dus fl. 100.000 ; overlijdt de man dan is de helft - fl 50.000 - krachtens huwelijksgoederenrecht van de weduwe en is die andere fl. 50.000 voor de erfgenamen van de overleden man ; Het erfrecht bepaalt dan wie erven en hoeveel iedere erfgenaam krijgt van die fl. 50.000. Overlijden beiden te gelijk, dan komen de erfgenamen van de gestorven man op in de ene helft, voor die 50.000 en de erven van de gestorven vrouw op in haar helft, voor haar 50.000.
Met de zakdoek nog in zijn hand kwam dan ook de vader van onze schone doch arm gestorven Liesbeth bij de vader van onze Floris en zei a propos, het spijt mij, maar ik wil graag als erfgenaam van Liesbeth fl. 50.000 in ontvangst nemen. Had je gedroomd moet de vader van Floris hebben gedacht, het meisje was de bruid en bleef dat "soo lange de bruyd in haar slaapkamer noch niet en was geleyd". Pas de volgende morgen zou zij echt huysvrouw, echt - of beddegenote zijn met alle ook vermogensrechtelijke gevolgen van dien. Floris vader had ongelijk - hij zei, zo was het vroeger onder het kanonieke recht - maar de tijden waren veranderd ; rechtens betekende de huwelijksnacht niets meer en Floris Sr. verloor het proces en moest de fl. 50.000 ophoesten. De rattenmentaliteit van Liesbeth's vader had gezegevierd.

 
HET GOUDVIS HUWELIJK

De algehele gemeenschap van goederen van de oude gewoonterechtelijke regel, die ook nog steeds in onze jongste wettelijke regeling bestaat - waarmede wij met Portugal en Zuid Afrika uniek zijn in de wereld - dat als je een rijke man of een rijke erfdochter aan de haak sloeg je de mogelijkheid had gecreeerd om rijk te worden. Het arme, maar knappe dienstmeisje dat de jonge heer des huizes uit een rijk gezin wist te verleiden, of de elegante avonturier die het koninginnetje van het rijke koopmanshuis wist te versieren, had uitzicht op een plezierig leven.
Een dergelijk GOUDVISJES huwelijk werd op slag onaantrekkelijk als de algehele gemeenschap van goederen alleen door toestemming van de rijke ouders werd verleend, hetgeen wel niet vaak zal zijn gebeurd ook al omdat de heersende moraal meebracht dat de huwelijkspartners minstens van gelijke klasse moesten zijn. "Geld trouwt geld" - en de voordelen daarvan worden niet onder de kerkbanken geschoven.

 
HET BARRIERE HUWELIJK

De wetgever wierp in 1540 bij een eeuwig edict een vermogensrechtelijke barriere op, maar als wij over barriere huwelijken spreken dan doelen wij veeleer op die andere barriere, die na de expansiepolitiek van Lodewijk XIV de Republiek het recht gaf in Zuidnederlandse vestigingen aan de Franse grens - de zgn. barriere steden - Staats garnizoenen te legeren. In de 18e eeuw lagen in Namen, Doornik, Ieperen en andere schone steden dan ook de jonge, potentierijke, Hollandse officieren in garnizoen, hetgeen voor de jongen maagden van de notabelen, charmante perspectieven bood, waarbij zij, wel of niet na het strijken van hun directoire ( men sprak er immers Frans ), veelal eindigden voor de garnizoenspredikant die het huwelijk dan in de moederkerk bevestigde.
Het omgekeerde kwam echter ook voor "Seecker cornet van een goede en bekende gereformeerde familie . . . . . guarnisoen houdende binnen Namur ( Naamen ) was "onder preatext van na Bruxelles te gaan, waartoe hij verlof had bekoomen" met een paapse burgerdame aan de zwier gegaan, met als gevolg dat hij de gereformeerde religie had afgezworen en met haar wilde trouwen, terwijl "noch de vurige smeekingen van sijne familie en nabestaande bequaam sijn geweest hem van dat schaadelijcke voornemen af te brengen".
Het viel te verwachten dat de pastoors en bisschoppen bezwaren hadden tegen deze activiteiten van de "kettersche Hollansche garnezoenen", maar ook de predikanten, dominee's, ouderlingen en de Staten Generaal zagen met schrik dat door "passie en geile driften" vele jonge en officieren . . . . overgehaald waren tot het pausdom door middel van een huwelijk met met roomsgezinde vrouwluiden.
In het zuiden werden daarom in 1734 bepalingen ontworpen tegen deze pretendus mariages , die nietig zouden zijn , "concubinaires" waren de partners, onwettig, spurii, de kinderen. Uit vrees voor represailles werden deze draconische maatregelen geen wet.
De Staten Generaal bepaalden in 1738 dat de officieren hun ambt zouden verliezen ; in 1750 werd het godsdienstig gemengde huwelijk tussen mannen onder de 25 jaar en vrouwen onder de 20 onmogelijk, terwijl in 1755 bij plakkaat werd bepaald dat er geen gemeenschap van goederen zou intreden. Overigens golden deze maatregelen niet alleen voor officieren maar ook voor andere ambtenaren. Deze vrijheid belemmerende bepalingen eindigden bij de publicatie van 6 maart 1795, omdat zij in strijd zijn met de verklaring van de rechten van de mens., door de provisionele representanten van het volk van Holland afgekondigd. Maar ook heden zijn er nog gelovigen die om fundamentele redenen "twee verschillende religisch op een hoofdkussen" niet tolereren. Huwelijkswetgeving is een netelige zaak. Het tortelende tweetal is blind en doof, trouwen doen ze toch. Als de wetgever te veel met nietigheid van het huwelijk gaat dreigen dan zijn het de kinderen - welke ondanks de wetgevers toch geboren worden - als onwettig geborenen daarvan de dupe xijn.. Hoe moeilijker het officiele huwelijk wordt gemaakt des te groter de kans op bastaarden is. Maar noch de katholieke, noch de protestantse kerken dopen graag onwettige kinderen. Daarom ook zal de huwelijkssluiting wel met voorschriften en formaliteiten worden omgeven, maar zal eerder naar kerkelijke, sociale en vermogensrechtelijke sancties worden gezocht op ongewenste huwelijken dan dat men het zwaard van de nietigheid hanteert.

 
HET WEDUWEN HUWELIJK

Bij het weduwen huwelijk zijn het de dreigende onaantrekkelijke vermogensrechtelijke consequenties die de wetgever naar de sancties van het hertrouwverbod hebben doen grijpen.
De 18e eeuwse moralisten vonden - en dit om vele redenen - dat er hertrouwd moest worden.
De bedrukte weduwnaar ziet zich omringt door een aantaal onnoozele spruiten, die de zorg eener tedere en voorzichtige moeder noodwendig schijnen te vorderen om van het Vaderlijke gezag - met een hoofdletter - maar te zwijgen. Akkoord, maar de kans dat de weduwe nog jonge kinderen heeft is groot.
De weduwe was gewoon in algehele gemeenschap van goederen getrouwd, hetgeen wil zeggen dat na het overlijden van haar man, de helft van de gemeenschap krachtens huwelijksgoederenrecht aan haar toebehoorde en de andere helft verdeeld kan worden onder de erfgenamen van de overleden echtgenoot, zijnde de kinderen.. Van deze erfrechtelijke verdeling kwam in de praktijk niets terecht - de weduwe en haar kinderen blijven in de onverdeelde boedel zitten - de verdeling komt later wel " als de kinderen volwassen zijn ". De weduwe hertrouwt later wederom in algehele gemeenschap van goederen met een brave maar onbemiddelde man, wiens maatschappelijk succes uitblijft. Er worden hierna weer kinderen geboren, waarbij gedurende de bevalling van het laatste kind de hertrouwde weduwe in het kraambed komt te overlijden. De weduwnaar hertrouwt hierna en er worden wederom kinderen geboren. Het zal duidelijk zijn dat op het moment dat de eerste kinderen meerderjarig worden de berekening van het erfdeel praktisch onmogelijk is - als er ten minste noch wat te verdelen is.
De voortgezette gemeenschap van de langstlevende met de kinderen of als de beide ouders "nog op stoel saten" was gebruikelijk in de Middeleeuwen maar ook nog in de 18e eeuw - en is het vandaag anders ?
Het bezwaar van het continueren is dat het erfdeel van de kinderen gemakkelijk in het ongerede kan komen. Daarom werd ook voorgeschreven dat de langstlevende binnen korte tijd na het overlijden van de huwelijkspartner een inventaris moest maken zodat het deel van de kinderen later kon worden gereconstrueerd. Men spreekt hierbij dan van KINDERBEWIJS - vertichting. Op nalatigheid konden boetes worden gesteld en via de WEESKAMERS kon dan controle worden uitgeoefend., maar de meest simpele oplossing was natuurlijk om te bepalen dat er niet hertrouwd mocht worden -
"voor ende al eer man ofte wijf onmondige kinderen hebbende sij de selven kinderen bewijs van 't goed de selven wesen toecomende sullen hebben gedaan"
Aangezien ondertrouw en trouw via magistraten, commissarissen van huwelijkse zaken, kerkeraden en dominees liepen, kon men van deze schakelfiguren verlangen dat zij weduwnaars en weduwen alleen dan toestemming gaven om te hertrouwen wanneer de hertrouwde kon bewijzen dat hij of zij de belangen van de minderjarigen had veiliggesteld dmv. een testament, waarbij de aardse goederen en het erfdeel werden vastgelegd. Bleven onze magistraten en dominees in gebreke dan werden zij beboet en voor de eventuele schade persoonlijk aansprakelijk gesteld. Het was de weeskamer die met argusogen toezag of de vermogensrechtelijke belangen van de kinderen - de wezen - wel in acht werden genomen.
Zagen wij een zekere vrees voor het huwelijk van de langstlevende omdat de belangen van de kinderen op de eerste plaats kwamen, heden ten dagen staat het belang van de langstlevende boven dat van de kinderen.
Teruggaande naar de weduwe was het voorschrift dat een zgn. TREURTIJD in acht moest worden genomen alvorens er hertrouwd mocht worden, omdat er anders KROOSTVERWARRING of een kind met twee vaders zou bestaan. De weduwe kon nog zwanger zijn van haar overleden echtgenoot zodat zij, indien zij op het moment van de bevalling hertrouwd zou zijn, het kind de nieuwe echtgenoot als JURIDISCHE vader zou hebben, terwijl de overledene als BIOLOGISCHE vader zou worden aangemerkt. De nieuwgeborene zou dan ook de erfgename zijn van de overleden vader.- de echte vader. Daarom mocht de weduwe niet binnen 300 dagen hertrouwen en aangezien de medische wetenschap niet stil staat is gebleken dat die 300 dagen wel eens een beetje kunnen uitlopen en daarom kent ons jongste recht de termijn van 306 dagen. ( artikel 34 NBW. )

 
HET OVERSPELIGE HUWELIJK

Een weduwe mocht dus hertrouwen als voldaan werd aan de wettelijke voorschriften, alhoewel tot op de dag van heden de roomskatholieke kerk dit afwijst, wat dus niet rechtsgeldig is volgens het officiele wereldse huwelijksrecht.
Er onstaan echter grote moeilijkheden als later blijkt dat de vorige echtgenoot van de hertrouwde weduwe niet is overleden, maar aantoonbaar nog in leven is.
Het overkwam in het begin van de 16e eeuw Margaretha Cornelisdochter. Zij was 8 jaar gehuwd met Nicolaas Oerlemans, die toen op een handelsreis ging en daarvan niet terugkeerde. Na 5 jaar kwam er een bericht waaruit het definitieve overlijden van Nicolaas kon worden afgeleid. Met inachtneming van alle wettelijke en kerkelijke voorschriften was Margaretha weer hertrouwd met Matthias van der Ven. Edoch, tot verbijstering van Margeretha en Matthias kwam Nicolaas Oerlemans na 14 jaar weer boven water, die Margaretha als zijn wettige echtgenote opeiste. Ook al omdat Nicolaas een verlopen type was geworden, voelde Margaretha er niets voor haar Matthias te verlaten. Enige malen kon zij Nicolaas met geld tevreden stellen, totdat Nicolaas Oerlemans als misdadiger door de baljuw van Boxtel werd gegrepen en in de kerker werd geworpen, wat Nicolaas niet overleefde.
Nu bepaalt het kanonieke recht dat, wanneer de eerste man terugkeert, het huwelijk automatisch herleeft en het tweede huwelijk van rechtswege ongeldig is en dus is beeindigd. Juridisch een vervelende situatie, immers het 14 jaar oude en met vele kinderen gezegende huwelijk van Matthias en Margaretha was door de verschijning van Oerlemans beeindigd. Geen probleem, zo dacht het tweetal, dan trouwen wij weer. Maar nu hadden zij buiten de geestelijke rechter gerekend.Die stelde dat door de verschijning van Nicolaas het tweede huwelijk was geeindigd en daardoor het eerste was herleefd. Maar Margaretha had desondanks samengeleefd met Matthias van der Ven, voorheen haar echtgenoot maar nu " een man " met wie zij dus OVERSPELIG samenleefde. Na het overlijden van Oerlemans mocht Margaretha hertrouwen met wie zij maar wilde behalve met degene, dus Matthias, met wie zij overspel had gepleegd, een eeuwenoud huwelijksbeletsel waarvoor nauwelijks dispensatie mogelijk is.
Sterker nog, overspel is een strafbaar feit dat streng moet worden aangepakt. De overspelige Margaretha en de medeplichtige Matthias van der Ven werden dan ook geexcommuniceerd en kregen 200 pond boete. Slechts apostolische genade kon hier uitkomst bieden en inderdaad de Bossche bisschop schold de straffen kwijt en gaf Margaretha en Matthias toestemming om opnieuw met alle ceremonien - die 14 jaar geleden ook al inacht waren genomen - weer in het huwelijk te treden - dus aan het eind van deze singularis casus weer een gelukkig begin, en de kinderen hadden wederom een echte vader en moeder, en dat anno 1703.
Met de codificatie werd aan al deze onzekerheden een einde gemaakt en maakte het tweede huwelijk een definitief einde aan het huwelijk van de afwezige.
Een langer leven had het verbod om met een overspelige partner te trouwen. Het stond zelfs tot 1970 in onze wet onder artikel 89. Maar de wet is geen voorbehoedmiddel. De staatscommissie van 1886 had dan ook groot gelijk met te stellen :
" Het verbod van een huwelijk tussen een OVERSPELIGE en de MEDEPLICHTIGE is machteloos om het overspel te voorkomen en als strafbepaling ongepast, terwijl het voor altoos belet een onwettige betrekking door een wettige te vervangen en zulks ten nadele der kinderen ook zelfs van die, welke geen vrucht zijn van een overspel. Mede dankzij de freule Wittewaal van Stoetwegen kwam dit huwelijksverbod niet in het nieuwe B.W.

Op het hebben van buitenechtelijke verhoudingen en voorechtelijk geslachtsverkeer waren sancties gesteld.
Na de VREDE VAN MUNSTER - het einde van de 80 jarige oorlog - in 1648, werd Noord Brabant als veroverd gebied rechtstreeks vanuit Den Haag bestuurd door de Staten Generaal. Een van de placcaaten of wetten die spoedig daarna door de Staten Generaal werden uitgevaardigd, was het zgn.
WETSREGLEMENT van 1656. Hierin werd onder meer bepaald dat buitenechtelijke verhoudingen en voorechtelijk geslachtsverkeer ten strengste gestraft zouden worden. Werd een kind geboren binnen enkele maanden na de trouwdatum van de ouders, dan kon het echtpaar alsnog op een fikse boete rekenen. Moest er een kind geboren worden waarvan de vader onbekend was, dan was de GEMEENTENS VROEDVROUW verplicht om aan de kraamvrouw, op het moment dat deze in opperste barensnood verkeerde de naam van de vader van het kind te vragen. Noemde de kraamvrouw die naam niet, dan moest de vroedvrouw op dat moment elke verdere hulp weigeren.

Op 26 mei 1657 werden alle vroedvrouwen in de Baronie van Boxtel via een openbare publikatie opgeroepen zich bij de Drossaard te melden om te worden beedigd. Op weigering stond een boete ven 25 gulden. Bovendien werden de vroedvrouwen er op geattendeerd dat niemant als vroetvrouw eenigh ongetrouwd vrouwspersoon sal mogen helpen off assisteren sonder deselve eerst bij solemnele eed te doen verclaeren wie dat de vader harer kint was, en deselve binnen 24 uuren aan de Officier bekent te maecken.
De vroedvrouw die dat naliet, kon rekenen op een boete van 50 gulden. ( Een dienstbode verdiende toen 20 gulden per jaar, vrij van kost en inwoning ).Het echtreglement verbood ook huwelijken tussen christenen en heidenen. Ook echtverbintenissen tussen christenen en belijders van andere, niet christelijke godsdiensten, zoals moslims en joden, waren uitdrukkelijk verboden. Huwelijken tussen gezonde personen en melaatsen werden niet getolereerd, terwijl trouwlustigen die beiden aan deze ziekte leden, slechts mochten trouwen na toestemming van de Drossaard. Ondanks de strenge voorschriften bleek het in de generaliteitslanden zoals Brabant, niet al te puriteins toe te gaan. Door de autoriteiten werden nogal wat misstanden gesignaleerd, waaronder hoererijen en overspeelen. Ook kinderen zouden zich schuldig maken aan ontuchtig gedrag en dit in weerwil, spyt ende tot groote droedheyt van vroome ende sorghvuldige Ouders ende Vooghden.
Dat al deze wetten in diverse delen van Nederland nogal eens anders werden geinterpreteerd mag blijken uit de genealogie, omdat in Brabant, op enkele uitzonderingen na, het eerste kind altijd ruim 9 maanden na het huwelijk werd geboren, terwijl het in Drenthe en Groningen veel voorkwam dat kort voor of na het huwelijk de eerste nazaat werd geboren, waarschijnlijk onder het motto dat alleen een vruchtbare akker mocht worden ingezaa(i)d.

 
HET AFSTAMMINGSRECHT IN HET MODERNE HUWELIJK

Vaders, vaders en nog eens vaders - Elementen uit het nieuwe afstammingsrecht.
Op 1 april 1998 is een nieuwe wet op het ' afstammingsrecht ' in werking getreden. Hierin worden familierechtelijke betrekkingen tussen ouders en kinderen geregeld. De regelgeving is uitvoerig en kan hieronder dan ook niet anders dan globaal behandeld worden.

Moeders     De wet op het afstammingsrecht gaat eigenlijk alleen over vaders. Zij worden als de onzekere factor beschouwd. Over het moederschap is de wet eenduidig :
' Moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd '.
Tot niet zolang geleden was er eigenlijk geen discussie mogelijk over de vraag wie de moeder van het kind was. Behoudens adoptie, was dat per definitie de vrouw die het kind gebaard had. Met de thans voorhanden zijnde mogelijkheden als draagmoederschap, waarbij een vrouw de embryo van een andere vrouw voldraagt, zou dat ter discussie kunnen staan. De wet bepaalt echter, dat in dit geval de draagmoeder in juridische zin de moeder is. De biologische moeder zal alleen door adoptie ook in juridische zin moeder van het kind kunnen worden.

Vaders 1
 
1. De juridische vader
2. De verwekker
 
3. De donor  
 
 
4. De biologische vader
Wie de vader van een kind is, is - nog altijd - onzekerder dan wie de moeder is.
De wet onderscheidt verschillende soorten vaders.
Deze behoeft niet de biologische vader te zijn ( zie de paragraaf hierna ).
De verwekker is degene die de daad van verwekking heeft verricht.
De verwekker is dan ook altijd de biologische vader.
Deze heeft per definitie zo'n daad niet verricht.
Een donor ' ontstaat ' bij donor - inseminatie ( KID ) of bij in
vitro fertilisatie ( IVF ) met zaad van een andere man.
Zowel de verwekker als de donor worden als biologische vader beschouwd.

Onderzoek heeft oversgens aangetoond dat in Nederland bij ongeveer 10% van de wettig geboren kinderen, de verwekker niet de jurische vader is.

Vaders 2
 
 
Aangezien het vaderschap over een kind lang niet altijd vast staat, gaat de wet
uitvoerig op aspecten daarvan in. Wettelijk worden daarbij de volgende " typen "
vaders onderscheiden.

1.   De vader is hij die op het moment van de beboorte van het kind gehuwd is met de vrouw uit wie het kind geboren wordt. Hierbij wordt de vader als de verwekker van het kind beschouwd. Als hij niet de verwekker is, maar wel ingestemd heeft met een daad die de geboorte van een kind ten gevolge heeft gehad, wordt hij ook als de vader beschouwd. Bij zo'n daad kan gedacht worden aan kunstmatige donorinseminatie, maar ook aan partnerruil of bijvoorbeeld prostitutie.
2.   Overlijdt de man, dan wordt hij toch als vader beschouwd van een kind dat binnen 306 dagen na zijn overlijden uit zijn echtgenote geboren wordt. Dit geldt ook ( behoudens enkele uitzonderingen ) wanneer de vrouw inmiddels hertrouwd is.
Onder het regime van de oude wetgeving was het vrouwen niet toegestaan binnen die 306 dagen na het overlijden van hun man te hertrouwen ( het zg. treurjaar ) - nu mag dat dus wel.
3.   Vader is ook hij, die een kind erkend heeft. De man die een kind erkent wordt daarmee de juridische vader. Hij behoeft niet de biologische vader te zijn.
4.   Een nieuwe mogelijkheid die de wet biedt is die, waarbij het vaderschap van een kind gerechtelijk wordt vastgesteld. Deze gerechtelijke vaststelling maakt het mogelijk om een man zonodig te dwingen een door hem verwekt kind te erkennen.
5.   Vader is ook hij, die een kind heeft geadopteerd. Adoptie van een kind gebeurt op basis van een uitspraak van de rechtbank.

Wanneer de echtgenoot van de moeder niet de biologische vader is, bestaat - met enkele beperkingen - de mogelijkheid het vaderschap van deze echtgenoot te ontkennen. Dit kan zowel gebeuren door de juridische vader, de moeder, alsmede het kind. De jurische vader of moeder kunnen het vaderschap evenwel niet ontkennen, wanneer de man voor het huwelijk wist dat zijn vrouw zwanger was. Ook kan het vaderschap niet ontkend worden, wanneer de man heeft ingestemd met een daad die tot zwangerschap van zijn vrouw kon leiden ( zie hierboven ). De uitzondering op deze regel is voor de vader de omstandigheid dat zijn vrouw hem heeft bedrogen ten aanzien van de verwekker van het kind. In beide in deze alinea genoemde gevallen kan overgens het kind later wel het vaderschap ontkennen.
Een verzoek tot ontkenning van het vaderschap moet worden ingediend bij de rechtbank. De moeder moet dit doen binnen een jaar na de geboorte van het kind.
Voor een vader geldt dat hij het moet doen binnen een jaar., nadat het vermoeden is ontstaan dat hij niet de biologische vader is. Een kind kan een verzoek tot ontkenning van het vaderschap indienen tot drie jaar nadat bekend is geworden, dat zijn of haar juridische vader niet de biologische vader is. Is het kind op dat moment nog minderjarig, dan kan het kind dat verzoek indienen tot drie jaar nadat het kind meerderjarig is geworden.

 
Erkenning
Een man kan een kind erkennen als het zijne door bij een ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van erkenning te laten opmaken of door middel van een notarieele akte. De erkenning heeft gevolg vanaf het moment waarop zij is gedaan. Wanneer de erkenning door middel van een notarieele acte is gebeurd, moet de notaris onmiddellijk een afschrift of uittreksel van de akte sturen naar de burgerlijke stand van de plaats waar de geboorteakte van het kind berust. Als het gaat om de erkenning van de nog ongeboren vrucht, kan een uittreksel van de akte meegenomen en ter gelegenheid van de geboorte aangifte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand getoond worden.
Kinderen ouder dan zestien jaar kunnen niet bij notarieele akte erkend worden, omdat zij verplicht zijn om bij erkenning zelf naamskeuze voor de familienaam te doen en dat kan alleen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. Onder voorwaarden is de toestemming van moeder of kind te vervangen door toestemming van de rechtbank. Dit kan overgens alleen als de erkenner tevens de verwekker is. Onder een aantal voorwaarden kan de erkenning nietig zijn. De belangrijkste daarvan is het ontbreken van voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder als het kind nog geen zestien jaar is en/of die van het kind als dat twaalf jaar of ouder is.
Nieuw in de wetgeving is, dat ook een gehuwde man een kind bij een andere dan zijn eigen vrouw kan erkennen, als de rechtbank heeft vastgesteld dat er tussen deze man en de moeder van het kind een band bestaat of bestaan heeft die in voldoende mate met het huwelijk op een lijn te stellen is. Onder de oude wetgeving konden gehuwde mannen in principe geen kinderen bij andere vrouwen erkennen. Kinderen bij naaste vrouwelijke verwanten ( voorouders, zusters en kinderen ) kunnen niet worden erkend. In principe kan een man ook geen kinderen erkennen van een adoptief zuster. Dit kan alleen bij ontheffing van het huwelijksverbod door de minister van Justitie, Een minderjarige, jonger dan zestien jaar, kan ook geen kind erkennen. Iemand jonger dan zestien jaar kan overgens wel trouwen, met name als de vrouw in verwachting is. Door dit huwelijk onstaat dan wel een familierechtelijke betrekking tussen de vader en het kind.
De erkenning kan op een aantal gronden weer vernietigd worden. Voor het kind is daarbij het belangrijkste, dat de erkenner niet de biologische vader is. Vernietiging kan dan plaats vinden als de erkenning bij minderjarigheid van het kind plaats vond of binnen drie jaar nadat het kind er achter is gekomen dat de man vermoedelijk niet de biologische vader is. Komt het kind hier achter terwijl het nog minderjarig is, dan kan het een verzoek tot vernietiging indienen tot drie jaar nadat het meerderjarig is geworden. Is de erkenner wel de biologische vader dan kan de erkenning niet vernietigd worden.

 
Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap
Nieuw in de wetgeving is de mogelijkheid van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Als een vader een kind niet wil erkennen, of omdat hij dat niet meer kan omdat hij inmiddels is overleden, kan deze gerechtelijke vaststelling de laatste mogelijkheid voor de moeder en/of het kind zijn om alsnog een formele relatie tussen vader en kind tot stand te brengen.
Als vader wordt hier beschouwd de verwekker ( in dat geval kan eventueel een DNA - test bewijs leveren ), of de man de als levensgezel van de moeder - zoals al eerder ook al werd aangegeven - ingestemd heeft met een daad die tot de verwekking van het kind heeft geleid. De vaststelling van het vaderschap kan vanzelfsprekend niet plaats vinden als het kind - in juridische zin - al een vader ( die niet de verwekker is ) heeft. Anders zou het kind twee vaders hebben en dat is voor de wet onmogelijk. In het geval van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap blijft de familienaam van het kind die van de moeder. Hiervan wordt alleen afgeweken als de moeder en de ( vastgestelde ) vader ter gelegenheid van de vaststelling gezamelijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal dragen.

 
Adoptie
De laatste mogelijkheid die de wet kent voor het tot stand komen van een familierechtelijke betrekking is die van adoptie. Bij adoptie wordt de familierechtelijke betrekking tussen het kind en zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten verbroken. Hiervoor in de plaats komt de familierechtelijke betrekking met de adoptiefouder(s) en hun bloedverwanten. Nieuw in de wet is dat de adoptie ook door een persoon kan plaatsvinden. Adoptie door twee personen van gelijk geslacht kan sinds 2002.

 
Wat verdween
Voor de terminologie is het nog belangrijk om te weten dat ten aanzien van het kind de termen wettig, onwettig en natuurlijk zijn komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is gekomen het al dan niet in een familierechtelijke betrekking staan tot een kind.

www.geslacht-vanoers.nl